Posts tonen met het label Bladel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bladel. Alle posts tonen

dinsdag 12 september 2023

Heks

Zwarte Kaet is een romanpersonage. Punt. Ze komt voor in de historische roman Het kind met den Helm, geschreven door de in Bladel geboren auteur Jan Renier Snieders van de Sniederslaan. De roman verscheen in 1852. Het was Snieders’ eerste. Waar de ster van zijn broer August al flink aan het rijzen was, had Jan Renier nog een aantal boeken te gaan voordat men hem serieus ging nemen.

In die tijd had je goeie en slechte personages in romans en Zwarte Kaet is in het boek van Jan Renier het allerslechtste. Het loopt niet goed met ‘r af. Ze krijgt haar verdiende loon. Áls Jan Renier al enige sympathie voor haar voelde, wat ik betwijfel, dan nog verplichtte de conventie hem om boontje om haar loontje te laten komen. Niks aan te doen.

Kaet mag dan doodgaan (zo erg is het), vandaag de dag is ze springlevend. Men kent haar, haar en haar boom. Ze heeft haar eigen bier, kaas, chocola en fietsroute. Jan Renier zou zich omdraaien in zijn graf. Zwarte Kaet is groter geworden dan het boek waarin zij tot leven is gebracht, groter dan de goeien, groter ook dan haar schepper zelf. De reden is simpel: Zwarte Kaet was een heks. Tegen heksen kan niemand op.

Ik ben zo vrij u even mee de roman in te nemen. Verbeeldt u: het verhaal is al bijna uit. De Hellenenders zijn opgehangen en Kaet ligt vastgeketend in de gevangenis. Ze gaat als een razende tekeer. 

Door het raam wordt ze gadegeslagen door twee Bladelnaars, Leendert de bakker, de nuchtere scepticus en Policarpus, de bijgelovige schoolmeester en kruidendokter, bijgenaamd 'Pontius Pilatus'. Die bijnaam had hij gekregen omdat hij zo vaak zijn handen waste. Dat moest-ie vanwege het vele kruidenplukken en kruidenmengen wat hij deed. Policarpus ziet in de stuiptrekkingen van Kaet het bewijs dat ze een heks is. Alleen een heks kan zo tekeer gaan, volgens hem. Leendert gelooft er niks van en de lezer begrijpt: wie op een eerlijke manier zijn brood verdient, heeft het gelijk aan zijn zijde. Leendert vermoedt dat er hondsdolheid in het spel is, een ziekte die vroeger wel vaker voorkwam en bekend stond als de ‘razernij’. 

De boodschap van Jan Renier is duidelijk: Policarpus is een dwaas en Leendert heeft gelijk, Zwarte Kaet is krankzinnig, al of niet door een hondenbeet, maar ze is géén heks. In de persoon van Leendert de bakker krijgt het verstand het laatste woord.

Maar Leendert komt te laat. De heks is dan al uit de fles. Het is nota bene Snieders eigen talent, zijn eigen plastiek die haar schiep. We bladeren terug in de roman. Luister en huiver.

Het jaar is 1610. Boven de markt ontwikkelt zich een onweer. Midden op de dag wordt het angstaanjagend donker, mensen gaan naar buiten en klitten bij elkaar op het plein. Juist als het begint te regenen en iedereen denkt dat het over zal waaien, daalt er, ik citeer, 

“een solferkleurige kegel neer, welks breed voetstuk met de wolken verenigd was, en waarvan de punt zich op de grond vastzette. In minder dan een oogenblik scheidde het voetstuk zich van zijn geboortewolk af en rees in een lange punt op, die een ontzaglijke hoogte bereikte en aan het natuurverschijnsel de vorm gaf van een zogenaamde Chinese ruit. Eensklaps scheen het gevaarte zich te bezielen en begon met vervaarlijke snelheid op zijn spil rond te draaien, en toch bleef het op hetzelfde punt stilstaan, als bezon het zich welke richting te geven aan zijn vernielende vlucht. Ineens spuwde het natuurverschijnsel een geweldige bliksem uit zijn schoot en in zijn ingewand hoorde men een gekraak, niet ongelijk aan dat van een barstende bom.” 

Iedereen doodsbang natuurlijk, de grond trilt als bij een aardbeving en wat denkt u? Net op het moment dat het bliksemt en knettert en dreunt en er een torenhoge vuurkegel op de markt staat, doemt uit het niets Zwarte Kaet op, de beruchte aanvoerster van de roversbende van het Hellenend. Aan haar hand voert ze ‘de Helm’ mee, het wonderkind van Ten Vorsel, dan al een opgeschoten puber. Luister:

“Doch wie beschrijft de verstomming der dorpelingen, toen er ineens aan de voet der verschrikkelijke vuurhoos een vrouw verscheen, die in de ene hand een dolk zwaaiende, met de andere een jongeling gewelddadig meesleurde!” 

En alsof dat beeld nog niet hekserig genoeg is, vervolgt Jan Renier:

“Het scheen een helse furie, die met haar opgeheven wapen, het vernielend luchtverschijnsel scheen te gebieden; want op dit oogenblik dreef de hoos met een vervaarlijke snelheid vooruit, rukte de grootste bomen omver en sloeg ze tot spaanders, ploegde een ontzaglijk diepe voor door de grond, spuwde regen en hagel uit haar gloeiende schoot en vloog met een verbazende sprong over de huizen, om zich op het akkerveld weerom neer te zetten. De doodsangst beklemde alle harten en stom van verbazing en afgrijzen herhaalde ieders mond: De Zwarte Kaet…! De Zwarte Kaet…! God zegene ons…!”

Jan Renier schiet zijn doel voorbij: de hekserigheid van het natuurverschijnsel moet dienen om het verdorven en grimmige karakter van Zwarte Kaet kracht bij te zetten. Maar het middel werkt zo goed dat de heks-idee zich niet alleen nestelt in de hoofden van de op het marktveld verzamelde Bladelnaars maar ook in die van ons. In Policarpus mogen wij dan het type van de bijgelovige dwaas herkennen, geef ons één vinger en wij pakken de hele heks!

zaterdag 1 mei 2021

Sinterklaas is er een

Wat weet de jeugd nog van het geloof, vroeg een museumdirecteur, wien kennelijk een licht was opgegaan. Van kloosters en katholieken en protestanten? Weten ze bijvoorbeeld nog wel wat een bisschop is? Wisten de vergaderde cultuurcoaches of ze daar bij Brabants Erfgoed iets over hadden?

Ik stelde voor om de Bladelse pastoor in te schakelen. Ik stel mij voor dat die nog wel weet wat een bisschop is. Algehele hilariteit in de vergadering! En nee, de pastoor toch maar niet. Stel je voor zeg. In het museum nog wel.

Later begreep ik dat ik het verkeerd begrepen had. Hier speelt het verschil tussen weten en hebben. De pastoor mag dan heel veel weten van het katholicisme, hij hééft er niks over. Geen lespakket, om precies te zijn. Nog preciezer (want lespakketten heeft hij waarschijnlijk nog wel liggen): geen museaal inzetbare lespakketten. Musea stichten niet, laat staan dat ze preken. Musea dragen kennis over. Geoperationaliseerde kennis. Dat is wat je wil hebben. Dat is het verschil. Geen brood, boter en hagelslag maar een boterham in een trommel.

In Sint Agatha aan de Maas staat het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven. Ze hebben er een bibliotheek vol met boeken over bisschoppen. Ze schenken zelf gezette koffie (niet in de studiezaal uiteraard) en je krijgt er koekjes bij van eigen deeg. Je vindt er het materiaal voor zoveel lespakketten als je maar wil. Ze smeren alleen geen boterhammen. Het is een oord voor weters. En daarmee blijven ze onder de radar van de hebbers.

In een notendop: een bisschop is een betrekkelijk hoge pief in een vereniging van vroeger die het verschil heeft uitgevonden tussen goed en kwaad en die alles wat leuk is, schaart onder het laatste. Doe je het toch dan beweren ze dat je naar de hel gaat, een goed beveiligde gevangenis waar je van zijn leven en ook na je dood niet meer uitkomt en ze het niet zo nauw nemen met de mensenrechten. Vandaar het woord hel. Sinterklaas is er een, een bisschop. Maar die is OK. Voor de rest kom je ze eigenlijk nooit meer tegen.

maandag 6 april 2020

Corona (14)

Het stukje grond uit de prijsvraag van maart was het Carolus Simplexplein in Netersel. Carolus Simplex was de Latijnse naam van Karel de Eenvoudige, de Frankische koning Karel III uit de dynastie der Karolingers. Hij leefde van 879 tot 929. In 898 werd hij koning van West-Francië en later ook van het middeleeuwse Lotharingen. Zijn bijnaam dankt hij aan zijn communicatieve vaardigheden, niet aan zijn levensstijl of een gebrek aan intelligentie. Hij was slim genoeg om het er goed van te nemen. Qua communicatie was hij het volstrekte tegendeel van zijn vader, Lodewijk de Stamelaar. Zijn tijdgenoten dchten dan ook dat hij er een was van de melkboer en weigerden hem op de troon te zetten. Hij heeft flink moeten polderen om koning te worden, iets waar koningen in die tijd eigenlijk een hekel aan hadden. Ze deden het alleen als het echt niet anders kon. Liever voerden ze oorlog, Karel net zo goed, dan was je gelijk van alles af. Als je won.

Zijn grote rivaal was ene hertog Robert van Parijs. Robert kon het niet verkroppen dat Karel links en rechts cadeautjes uitdeelde, hoewel dat eigenlijk heel normaal was. Koning wórden was één ding, koning blíjven een ander en het strooien met cadeautjes was een erkend middel daarvoor. Over Karels uitdeelpraktijken komen we nog te spreken.

Robert de Sterke
Ooit waren ze vrienden, Robert en Karel maar toen Robert in de gaten kreeg dat Karels presentjes alsmaar de verkeerde kant opvielen, ging hij op zoek naar nieuwe vrienden. Roberts vader heette ook Robert en had als bijnaam ‘de sterke’ dus je kunt je voorstellen dat Robert in no time een haffeltje vrienden bij elkaar had. Robert moest je niet tegen je hebben. Toen hij dacht dat hij er genoeg had, pleegde hij een staatsgreep en wist de gewone Francieman genoeg: dat wordt weer oorlog.
Nadat ze mekaar een jaar lang regelmatig in de haren waren gevlogen, kwam het in 923, bij het Franse stadje Soissons tot een historisch treffen tussen Karel en Robert. Voor Karel was het zijn laatste veldslag: hij verloor, werd gevangen genomen en bleef gevangen tot aan zijn dood in 929.
Robert mocht dan gewonnen hebben, het was wel een beetje een pyrrusoverwinning voor hem: hij sneuvelde. Het was zijn zwager die de vruchten plukte.

Dirk
Hoe komt het nou dat er in Netersel een plein is genoemd naar deze koning? Hebben ze daar iets met koningen? En zo ja, waarom dan deze koning en bijvoorbeeld niet zijn gootvader, Karel de Grote, die pas echt een vedette was, of de latere Karel V, kéizer Karel V? We leggen het uit.
We zeiden al dat Karel strateeg genoeg was om zijn vriendjes op zijn tijd te voorzien van een presentje. Met presentjes bedoelen we niet een wijntje of een dagje naar de Efteling, nee, we hebben het hier over geopolitieke presentjes en in Karels tijd had je het dan over grond. Veel grond. Zóveel grond dat je het maar beter even op papier kon zetten om te voorkomen dat op een later moment anderen het eigenaarschap zouden betwisten. Karel deed dat door zogenaamde giftbrieven uit te schrijven, geen brieven in de betekenis die wij eraan hechten maar een soort aktes, die je kunt kopen bij de notaris. Zo kon de ontvanger altijd aantonen dat hij de eigenaar was.
Een van die giftbrieven was bestemd voor de Friese graaf Dirk I. Dirk was een van Karels vriendjes. Hij had Karel regelmatig bijgestaan in tijden van oorlog en dus wel een paar lapjes grond verdiend. Karel schonk hem de abdij van Egmond met de grond die daarbij hoorde en dat was heel wat. Abdijen waren regelrechte grootgrondbezitters in die tijd. Kijk maar naar die van Postel. Heel de tegenwoordige gemeente Bladel was ooit van de abdij daar. Als je in die tijd een huis wilde zetten, moest je naar het klooster in plaats van Bouw- en Woningtoezicht.

Met de abdij van Egmond erbij, had Dirk ineens meer dan genoeg grond om de provincie Holland op te richten. Dat dééd hij overigens niet, hij bleef zijn gebied gewoon West-Frisia noemen, net als zijn voorouders. Pas veel later kwam een achterachterkleinkind van Dirk, Floris II (niet Rutger Hauer, mocht u dat soms denken, die kwam nóg veel later, begin 16e eeuw) op de naam Holland en die noemde het ook geen provincie maar een graafschap, zodat hij zelf kon doorgaan voor de gelijknamige graaf.

Melis Stoke
Terug naar de giftbrief. Net als in de aktes van de notaris, werd in die giftbrieven altijd de plaats genoemd waar ze waren geschreven. En nou komt het: de brief voor Dirk was geschreven in “Pladella Villa”, Karels buitenhuis in Pladella. Daar ligt de link met Bladel: Pladella = Bladel. Daar ligt ook de link met onze vereniging: de witte figuur op het banier aan onze gevel stelt Karel voor, in zijn pyama thuis op de bank in zijn Pladella Villa. De wieg van Holland heeft gestaan in Bladel, heette het vroeger. Eind goed, al goed, zou je zeggen.

Nou, mooi niet. Karel mag dan een protoversie van de great communicator geweest zijn, over die Pladella Villa had hij wel wat duidelijker mogen zijn. Even een kaartje erbij of zo. Want nu, 1100 jaar later en ook al 1100 jaar láng, zitten we met de vraag: wie zegt dat? Pladella Villa = Bladel?

Melis Stoke zegt dat. Wie, vraagt u? M e l i s S t o k e. Melis schreef geschiedenissen, kronieken zoals ze die in zijn tijd noemden en hij was dichter. Rond het jaar 1290 schreef hij een kroniek van Holland en dat deed hij zoals je van een dichter kunt verwachten: op rijm. Over de Pladella Villa rijmde hij dit:

Ghegeven in Ons Heren jaer
VIIIc ende daer naer
Drie warf xx ende III mede,
Tote Bladele teenre stede
(Dats een dorp dat soe heet)

Wat zoveel betekent als: opgemaakt in ons heren jaar 863 te Bladel, da’s een dorp dat zo heet.
Duidelijk, zou je zeggen. Melis leefde maar een kleine vierhonderd jaar na Karel dus hij zal het wel geweten hebben.

Kinderen! Kinderen!
Nou, mooi niet. De inkt van Melis’ handschrift was nog niet droog of de discussie barstte los: is Pladella wel echt Bladel? Hoe komt hij aan 863? Toen waren Karel en Dirk nog niet eens geboren. 922 zal hij bedoeld hebben. Zo stond het in de akte. Toch?
Over deze en andere vragen heeft een hele batterij amateur- en echte historici zich sinds de dagen van Melis het hoofd gebroken en ruzie gemaakt.
We noemen er twee.
De eerste die zeker meende te weten dat Melis abuis was, was de achttiende-eeuwse taalkundige Balthasar Huydecoper. In 1772 gaf hij Melis’ handgeschreven kroniek uit in druk, samen met een héle hoop aantekeningen van hemzelf, onder andere over de villa. Balthasar beweerde dat Melis er inderdaad 50 jaar naast zat, dat hij 922 bedoelde, zoals in de brief was vermeld, 15 juni 922 om precies te zijn. Én hij beweerde dat… Karel die dag onmogelijk in Bladel had kunnen zijn. Volgens allerlei andere kronieken namelijk, was hij al vanaf Pasen dat jaar aan het knokken tegen zijn favoriete vijand Robert in Noord-Frankrijk. Een snoepreisje naar Bladel zat er voor hem niet in. Bovendien, aldus Balthasar, bestond Bladel in het jaar 922 nog niet.
Nou was Balthazar een naar mannetje dat altijd gelijk wilde hebben, als kind was het al een rotjong en als volwassene was hij niet te pruimen. Iedereen had dan ook zoiets van, laat het jong maar lullen, Pladella = Bladel en daarmee uit.
Dat was ook de strekking van een verhandeling van meester Willem Cornelis Ackersdijck, jurist, gemeentesecretaris van ’s Hertogenbosch en in zijn vrije tijd amateurhistoricus. In de meivakantie van 1832 liet hij thuis een kist vol boeken en oude aktes aanrukken en ging hij er eens goed voor zitten. En wat vond de Bossche legum magister? Al in de twaalfde eeuw was Bladel een rijk en welvarend dorp. Je kon er dus gerust van uitgaan dat het ook in de tiende eeuw al bestond. Bovendien beweerden historici al een paar honderd jaar lang dat er in Netersel een kasteel in de grond zat. Sterker nog, sommigen van hen hadden het met eigen ogen gezien in tijden dat het nog bóven de grond stond. Dat dat in Netersel was, deed er niet toe. Netersel was een buitenwijk van Pladella. Villa’s staan altijd in buitenwijken, in Karels tijd ook al.
In 1923 werd die villa inderdaad gevonden en inderdaad in Netersel. Het was alleen niet de villa van Karel. Deze villa stamde uit de dertiende eeuw en niet uit Karels tijd.
Zo ging ook de twintigste der eeuwen voorbij. In Netersel vonden ze dat ze wel iets meer waren dan een buitenwijk van Bladel en ze eisten en kregen hun Carolus Simplexplein. Carolus was van hun.
In 2018 werd de opgraving uit 1923 nog eens dunnetjes overgedaan en weer bleek het te gaan over een gebouw uit de dertiende eeuw. Tja.

Bienville, bien sur
Al met al weten we na eeuwen van soebatten en graven nog altijd niet waar we aan toe zijn. Wat is het nou? Bladel? Netersel? Of heel ergens anders?
Welnu, beste ingezetenen van Bladel (en Netersel), het spijt ons u te moeten meedelen dat de geleerden, amateurs zowel als echte, het er vandaag de dag over eens zijn (zo’n beetje) dat het goeie antwoord luidt: heel ergens anders. In Bienville namelijk, een dorpke in Noord-Frankrijk net boven Compiègne, u weet wel, waar ze in 1918 de vrede tekenden in die treinwagon. Daar hebben ze kennelijk wél iets gevonden in de grond en daar had Karel op 15 juni 922 makkelijk even naar toe gekund om droge kleren aan te trekken en wat brieven te schrijven. De eerste royal die Bladel zou bezoeken, aldus de geleerden, is en blijft prinses Beatrix, in 1978.
Tja, ingezetenen van Bladel (en Netersel), het is ermee als met klimaatverandering: je kunt het wel blijven ontkennen maar alles wijst nou eenmaal in die richting. We moeten het maar accepteren.
Wij van Pladella Villa laten Karel nog maar even wapperen aan onze gevel. Hij is dan misschien nooit in Bladel (of Netersel) geweest, het verhaal van Pladella Villa zoals we dat hier in het kort hebben proberen te vertellen, is bijna nog leuker dan de verloren villa zelf.

Prijswinnaar is Janus Bleijs uit Netersel. In zijn antwoord heeft Janus het ook nog even over de beeldengroep voor het gemeentehuis in Bladel. Goed dat hij daaraan dacht, we waren het glad vergeten. De twee stellen Karel en Dirk voor. Dirk zit, Karel staat en overhandigt Dirk de giftbrief. Asteblieft jong, dik verdiend. Janus vindt dat de twee naar Netersel moeten en daar is iets voor te zeggen. Het plein ligt er immers al. Van mij mag het, ik heb helemaal niks met die twee. Karel staat als de verlichte klaveren koning die hij nooit geweest is en Dirk oogt als een kostschoolleerling die een Latijnse tekst voor zijn neus krijgt waar hij de ballen van begrijpt. En leg maar eens uit aan een Syrische vluchtelinge wat ze betekenen (ik spreek uit ervaring): ja kind, die twee hebben samen heel wat oorlogen uitgevochten. Neenee, niet tégen mekaar, mét mekaar. En toen kreeg hij daar Holland… Holland, eh… Amsterdam.


zondag 28 april 2019

Pladellastraat

De Villa. Het blijft er maar over gaan. Nu wéér: men wil weten hoe het zit. In 1980 beweert de archeoloog Roymans dat de villa heel wel in Bladel of Netersel kan hebben gestaan, 39 jaar later, op 14 april 2019, beweert de historisch-geograaf Karel Leenders in de Poel in Netersel dat koning Karel III op 15 juni 922 nooit of te nimmer hier geweest kan zijn. Een nogal arbitrair geconstrueerde tegenstrijdigheid, ik geef het toe, maar misschien ook een illustratieve: zover ik weet, weten we het niet. 
Ík heb er mijn buik vol van. Dat het hele verrotte geval vertere in de ingewanden van moeder aarde. En de beeldengroep voor het Bladelse gemeentehuis kan naar Haarlem. Ze zijn al bezig er een plekje voor te maken. Dan zijn wij er van af en kunnen we de heemkundekring omdopen tot "HaNeCaHoBla. Erfgoed en bevallingen".


Die Haarlemse straatnaam is overigens niet van vandaag of gisteren:


Een mooi verhaal, niet? Komt u deze zomer nog in de buurt, hier moet u zijn:





zaterdag 10 november 2018

800 jaar bestaan

Op een zomeravond een paar jaar geleden, reed ik naar Netersel om er een groepje senioren te interviewen. Ik had een jaarboek te vullen en nog niks over Netersel. Dus liet ik ze uitgebreid aan het woord en schreef een stuk getiteld: Wat doen we met Netersel?
Nu doen ze zelf wat: 800 jaar bestaan. Ze vonden een akte uit 1219 en hebben onlangs hun aanloop ingezet. Was iets geweest voor een jaarboek.
Je moet ergens beginnen. Als je een oude akte vindt waarin je dorp bij naam wordt genoemd*, weet je één ding zeker: dat het er voor die tijd al was en je dus een onbekend aantal jaren te laat bent. Maar je moet ergens beginnen.

(Voor alle duidelijkheid: we hebben het hier niet over een ondubbelzinnige stichtingsakte. Er staat niet "Michiel Michiels Netrusem fondatat anno domini MCCXIX"**. Het is geen charter. Het is gewoon een velletje perkament met een hoop persoons- en plaatsnamen, waaronder die van Netersel. Happaert staat er bijvoorbeeld ook in. We weten niet eens goed wat het betekent want het is in het Latijn. De enige die er pap van zou kunnen maken is mijn nicht Pleun en ik heb geen idee waar die ergens uithangt.
Maar goed dat wij in Hapert wel beschikken over een akte waarin ondubbelzinnig staat: "Anno domini MCLXXXVI  Verdonschotum adversum Michiel Leijten lapis primo vicem happaert in terra ponerat".*** Anders hadden we volgend jaar weer 800 jaar bestaan)

Als er over twee jaar een document opduikt uit 1122 met Netersel erin, in de abdij van Egmond, om maar een zijstraat te noemen, besta je gewoon 900 jaar. Net zo makkelijk. Wat is er feestelijker dan terugschrijdend inzicht.

Misschien is het zinniger om 100 jaar te bestaan. Het is natuurlijk onzin om te geloven dat Ons Lieven Heer Netersel tussen Nieuwjaar en Driekoningen 1920 kant en klaar op de wereld heeft gezet (én Bladel, én Hapert, op het Kempisch Bedrijvenpark na) maar dat is nou krek wel wat iedereen gelooft. 


* "Netensel" (Welvaerts), "Netrusel" (Camps).
** "Michiel Michiels stichtte Netersel in 1219".
*** "In het jaar 1186 legde Michiel Leijten schuin tegenover Verdonschot de eerste steen van het dorp Hapert".

zondag 10 juni 2018

Verzin een heks en perish before her

Het weekblad Rond den Heerd meldde op 26 december 1880 dat de boedrukkerij Splichal-Roosen te Turnhout het plan had opgevat een volksuitgave (goedkoop!) uit te brengen van de werken van Jan Renier Snieders, die van het pad, niet die van de laan. Dat was nodig want boeken als Amanda, De Meesterknecht en (voor ons natuurlijk van uitzonderlijk belang) Het kind met den Helm waren nergens meer te krijgen. De dan nog springlevende auteur had zich enthousiast betoond en de drukker kon gaan zetten. "Nog nooit zal in België eene zoo schoone en tevens goedkoope uitgaaf verschenen zijn. En een werk, dat vroeger in den handel 2 of 3 franken kostte, zal men zich nu aan den geringen prijs van 1 frank 50 centimen aanschaffen." Intekenaars wel te verstaan: "Buiten inteekening zal de prijs der boekdeelen aanzienlijk verhoogd worden."

Jan Renier Snieders is vergeten. Echt waar. Niemand kent hem nog. Ook zijn pad niet. Vraag maar na hier. Het leent zich niet voor scooters en e-bikes en dan boeit het niemand. In onlangs van kracht geworden privacywetgeving wordt gerept van het "recht om vergeten te worden". Voor Jan Renier is het het lot. Wel kent iedereen Zwarte Kaat, de heks die nooit heeft bestaan. Ze kwam uit de duim van Jan Renier. Ze heeft hem dik overleefd.
Wij heemkunde hebben zijn boeken nog. De hele serie drie keer. Ik sta op het punt om er twee bij het oud papier te zetten.

Sorry Jan Renier, de Bleijenhoek moet opgeruimd.

maandag 25 september 2017

Lang verhaal waar u even mee vooruit moet kunnen

Het jaarboek-2017.
Ik heb het over Pladella Villa. De Heemkundige Vereniging.
(vreselijke naam overigens, Pladella Villa. Het moet me toch (weer) eens van het hart. Het anachronisme, de associatie met Bladel. Ik zin al tijden op een alternatief. Voor na de staatsgreep. HaNeCaHobla of zoiets. Dat is het em ook wel een beetje: vind maar eens wat anders. Zoiets dufs als Acht Zaligheden of Hooge Dorpen wil je ook weer niet. Het is een beetje vijf-dorpen-geen-gemene-deler met ons. Ik ben geboren in Hoogeloon, Hapert en Casteren, zei Jannie al)

Het jaarboek-2017. Heemkunde.
Ik lig er wakker van. Nie best, ik weet het, hoog opgeleid, volwassen, dan hoort het je niet te overkomen. En toch. Ik lig het.
210 pagina's heb ik gisteren uitgerekend, als Wim van de Linden tenminste zijn stuk over de schoenmakerij van zijn vader op tijd inlevert (waarom moet dat zo lang duren? Hij heeft toch tijd zat nu? Ik heb toch ook geen sociaal leven?).
210 door mijzelf op te maken pagina's. Lonneke wil niet meer en mijn plan B is onverwacht getrouwd en nu op huwelijksreis (plan C is al (pas) bevallen van een dochter).
Ik doe dat in Word, iets anders kan ik niet en eigenlijk ook dat niet. Het is een getob van hier tot Hoogcasteren. De teksten willen nog wel (al zullen er toch wel weer taalfouten inzitten, al mijn herlezen ten spijt. Beter om mij dat dan maar niet te vertellen. Voor U), het zijn de plaatjes waar ik gek van word. De tante Keeën Heesterbeek springen alle kanten uit! En de ondermarges. Geen twee van mijn ondermarges zijn gelijk. Hoe kan dat nou toch? Het zijn toch geen mensen?
Mijn hoop is gevestigd op Bianca van de drukker. Ik ben haar wezen consulteren op mijn vrije dag en zij is helemaal mijn lettertype.

Mijn eigen tekst gaat dit jaar over de tegenstelling autochtonen-allochtonen. In 1973 bedoel ik. Die had je toen ook al, al kwamen de allochtonen van minder ver en spraken ze beter Nederlands dan wij. Was U er een? Meld U dan! U krijgt van mij alle 210 pagina's van het jaarboek-2018. Doe nou toch eens Uw verhaal! De boekenplanken in onze bieb zakken door van het onze!

Beter gaat het met de foto's. Had wat voeten in de aarde maar loopt nu. Ik vergelijk het altijd maar met verspringen: we kwamen niet goed uit op de balk en zaten vast in de zandbak. Gelukkig is cousin Stijn ons komen vlottrekken.
Het werk wordt gedaan door een gepensioneerde archiefmedewerker van de voormalige gemeente HoHaCa, Albert. Kijk gauw hier.

Ik heb geblogd over het zaterdagse bad. Gisteren zag ik dat mijn blog gelinkt was door Frank Krijnen op Facebook. Dat was een tikkeltje genant, ik vertelde het vanochtend nog aan een collega. Ik had het bad namelijk net leeggekiept omdat het in minder dan 24 uur al meer dan 200 keer gelezen was. Van dat soort statistieken kan ik normaal alleen maar dromen dus ik dacht dat mijn bad een soort van aandacht had getrokken waar ik niet op zit te wachten. Nu het het goeie ouwe facie blijkt te wezen, gooi ik het maar weer vol. Al blijf ik het in de gaten houden.

Maar even serieus nu. 
Over dat jaarboek 2018. 
Het mooie van tijdnood in het ene jaar, is dat je vooruit gaat fantaseren over het volgende. Ik kan U dan ook nu al de inhoud verklappen van het boek van volgend jaar: 1) een artikel over het Zwartven, mijn favoriete verdwenen sportpark (moet Sander Jansen nog mailen dat het me dit jaar niet gaat lukken!); 2) een lang stuk over gemeenschapshuis Den Tref in Hapert, naar aanleiding van het 51-jarig bestaan; 3) een stamboom van de familie Claassen; 4) een mini-biografie van Cornelia Adriana Judith Deckers (1777-1853), met medewerking van vijftien (nog op te sporen) historisch geinteresseerde gemeentenaren van hier en 5) een stripverhaal over de avonturen van een voetballende A-junior in Hapert in de jaren '70 van de vorige eeuw ("Adri en de wondersloffen").

Wat dunkt U? Zal ik er vast 500 bestellen?

zondag 23 april 2017

De joodse begraafplaats van Bladel

Bij het opschonen van mijn digitale bestanden stootte ik op de minuut van een uitgaande brief van de raad van de gemeente Bladel en Netersel die erop lijkt te wijzen dat wat Pieter Matthijsse al dacht en onze voorzitter méénde te weten inderdaad het geval is geweest: Bladel heeft ooit een joodse begraafplaats gehad, al geeft het document geen uitsluitsel over de plaats, anders dan dat het een plek was die ten tijde van de oprichting (1854-1855) nog ergens op de heide lag.



zondag 12 februari 2017

Peter Michael

Het wereldkampioenschap schaatsen dat op dit moment aan de gang is, is natuurlijk niets anders dan een verkapt Nederlands kampioenschap. De enige allochtoon die het een beetje bij kan benen is de Nieuwzeelander Peter Michael en ik mag doodvallen als dat niet een nazaat is van de Michaëls die in het midden van de negentiende eeuw op Ten Vorsel woonden. Waarschijnlijk schaatsten Lambert en Frederik en hun broer Peter uit Hapert, hun neef Lambert uit Hoogeloon en misschien ook wel hun zus Elisabeth in hún tijd van strenge winters al met zijn allen op de Kromvennen, zo steil gereformeerd als ze waren en heeft hun geëmigreerde naneef deze familietraditie voortgezet. 
Maar als er niet snel wat meer allochtonen gaan meedoen, geef ik er als TV-kijker de brui aan.

donderdag 2 februari 2017

Man misleid

Mensen luister. Pak Google erbij en reken mee.
De afstand van de Kruidenbuurt in Eindhoven naar de abdij van Postel bedraagt 30,5 kilometer. Een dik uur fietsen.
De afstand van de Kruidenbuurt naar de Willem van Oranjelaan in Bladel bedraagt 27 kilometer.
Dus wat denk je dan als argeloze burger? Toch al uitgeknepen door het grootkapitaal?
Dan denk je dit: van Bladel naar Postel is alleen het dunne deel van het dikke uur fietsen.
Nou mooi niet!
Ik heb vanmiddag tien minuten tegen de abdijmuur gezeten om bij te komen voor ik er maar aan kon denken te gaan wandelen, wat het plan was.

VIND U OOK DAT DE REGERING HIER IETS AAN MOET DOEN? STEM DAN OP DE SP!

Wie is hier de boekhandelaar?

Gisteravond op de heemkamer. We stonden op het punt om af te sluiten toen de deurbel ging en een meisje van een jaar of vijftien de hoek om kwam in het gezelschap van haar vader. Ze vroeg of wij iets hadden over de geschiedenis van Bladel. Het was voor een werkstuk voor aardrijkskunde. Iets met kaarten zou ook wel fijn zijn.
Het is altijd weer verfrissend om te horen hoe de moderne scholier zo goed weet wat hij wil. 
Kon ze misschien iets specifieker zijn?
Na 1950, was het antwoord.
Na enig doorvragen en flink wat zoeken, verkocht ik haar vader uiteindelijk twee deeltjes Bladel en Netersel in oude ansichten plus het jaarboek 2008, het boek met de kadastrale CD. In heur smartphone noteerde ze de woorden 'kadaster', 'RHCe' en 'BHIC'.
In de veronderstelling dat de ansichtenboekjes 2,50 euro per stuk kostten, heb ik haar vader 10 euro in rekening gebracht. Toen ik het tientje overhandigde aan de penningmeester schrok die zich een ongeluk. De boekjes kostten niet 2,50 euro maar 12,50 euro. Ik de wind van voren, had ik de prijslijst dan niet zien hangen ("jaja"), ik was de nagel aan zijn doodskist ("jaja"). 
12,50 euro is veel te duur, wierp nog ik tegen. Wie is hier verdomme de boekhandelaar?

Enfin, binnenkort zijn we weer een goed gedocumenteerd werkstuk over onze geschiedenis rijker. Misschien verschijnt er een handelseditie.



zaterdag 14 januari 2017

Uit wandelen

In een brief van 15 november 1843 laat de provinciale Ontvanger der Registratie, Mathon geheten, aan de burgemeester van Bladel-Netersel weten nogal in zijn maag te zitten met het volgende:  


volgens ontvangen opgave bedraagt de afstand van Bladel naar de hoofdplaats der provincie, 's Hertogenbosch, 8 1/4 uur gaans, waar volgens zijn eigen gegevens die afstand niet meer dan 8 uur bedraagt. Kan burgemeester zoo spoedig mogelijk laten weten wat nou eigenlijk de "wezenlijke afstand" is?
De 8 uren gaans van de ontvanger zijn waarschijnlijk gebaseerd op een eerdere opgave van de burgemeester, waarvan het klad bewaard is gebleven. Misschien heeft die in de tussentijd een bode uit wandelen gestuurd en is hij erachter gekomen dat Den Bosch een kwartier verder was dan hij altijd had gedacht. Ín dat klad tekent hij overigens het volgende aan:

den afstand naar de hoofdplaats van het kanton en de provincie is berekend over den grooten weg loopende over Netersel Hulsel en Middelbeers, daar wanneer er eenen weg over de heide van Casteren op Oostelbeers en vervolgens door het voormalig kamp bij Oirschot op de vijvers tot stand kwam, deze voor het minste 3/4 uurs zoude verminderen.

Met het voormalige kamp bedoelt hij waarschijnlijk de legerplaats die heeft bestaan tijdens de Belgische opstand in de jaren dertig van de negentiende eeuw.




zondag 4 december 2016

Pechstrook

Deze week berichtte de Kempenaer over het staatsbezoek van de Belgische koning Filip onder de kop Cadeautje koning Filip. Het bericht verwees naar een onlangs tussen België en Nederland gesloten verdrag over een grenscorrectie. Twee stukjes België worden toegevoegd aan Limburg. Met de Kempen bleek dat in zoverre iets te maken te hebben dat de vorige grenscorrectie, nauwelijks 173 jaar geleden, óns grondgebied betrof. Er is altijd iemand die het zich herinnert.
Ik heb niet veel tijd dus het moet even gauw en met Wikipedia maar dat vorige verdrag werd gesloten op 8 augusutus 1843. België was net afgescheiden en een commissie was vier jaar lang bezig geweest de grens te bepalen. Ik bedoel 'vast te stellen'. Het eigenlijke bepalen begon ook dat jaar (365 paaltjes waarvan 101 in Brabant, te weten de nummers 169 tot en met 269) maar werd vanzelfsprekend niet gedaan door de commissie. Nou ik erover nadenk, begrijp ik eigenlijk niet waarom er sprake zou zijn van een correctie. Als ik het Wikipedia-lemma goed lees, gaat het hier over de initiële vaststelling en eigenlijk zelfs dat niet want dat was al gebeurd in Londen, vier jaar eerder. Bij dit verdrag zou het gaan om de 'markering' van de grens.
Zeker is dat in het verdrag van 1843 het volgende staat geschreven in de Tweede Afdeeling, handelende over de Grenzen van de Maas af tot aan de Schelde, subtitel Ruiling, afstand van grondgebied, paragraaf 15, sub 2:

Op het gedeelte der grens in paragraph drie van artikel veertien omschreven, staat Belgie aan Nederland af (artikel elf van het verdrag van het verdrag van vijf November achttien honderd twee en veertig*), te weten:
Twee honderd drie en veertig hectaren ongeveer van het grondgebied van Lommel, gelegen ten noorden van deze gemeente;
Honderd een en veertig hectaren ongeveer van het grondgebied van Moll, gelegen ten noorden van deze gemeente.

Hetgeen resulteerde in de volgende grenslijn:

Aan het grondgebied van Bergeyk gekomen, loopt dezelve in regte lijn daar dwars doorheen, doorsnijdt den weg van Hasselt naar 's Hertogenbosch, ter plaatse waar die ook door de oude provinciale grensscheiding wordt doorsneden, loopt bovendien altijd in regte lijn, dwars door het grondgebied der gemeente Lommel, tot aan de beek genaamd Klaagloop of Elsloop, bij den weg van Neerpelt naar Luyksgestel, alwaar zij de oude provinciale grens herneemt.
Van daar tot aan den dijk of weg van Lommel naar Postel, loopt dezelve ineen met de gemeente-grensscheiding van Luyksgestel (Nederlanden) en van Lommel (België); vervolgens, langs de noordzijde van genoemden dijk of weg loopende, gaat dezelve dwars door de Nederlandsche gemeenten Luyksgestel en Bergeyk, waarna dezelve de oude grens tusschen deze laatste gemeente en die van Moll (België) volgt, tot aan het punt waar de wegen van Arendonck en van Postel naar Bergeyk ineen loopen; aldaar dringt dezelve in de gemeente Moll, welke zij in regte lijn dwars doorloopt, om de oude provinciale grens, op vier honderd zeven en dertig ellen (mètres) ten zuiden van het oude aanrakingspunt der gemeenten Bladel, Reusel en Moll, te hernemen.

Niets zo poëtisch als een negentiende-eeuwse grensbeschrijving! Als Neerlandicus vraag je je af waarom ze nog de moeite namen om er kaarten bij te voegen. Mijn ervaring is dat die het alleen maar ingewikkelder maken!
Enfin, Wikipedia parafraseert deze poëzie aldus:

I1843 vond eveneens een merkwaardige ruil plaats, waarbij een spievormig deel van de Bergeijkse Heide, bij België kwam. Deze spie eindigde bij de zogenaamde Steen der Zeven Heerlijkheden, waar zeven verschillende gebieden bij elkaar kwamen. Als tegenprestatie werd een rechthoekig deel van de Bladelse Heide bij Nederland gevoegd, en wel bij de gemeente Bergeijk, die daardoor een grillige omtrek zou krijgen.

Voor ons in Bladel - en daar hoor je de Kempenaer niet over - was dat helemaal niet zo leuk! We hielden op grensgemeente te zijn en liepen daardoor flink wat douane-inkomsten mis. We noemden het dan ook de 'pechstrook'.

Het archief van de commissie berust in het Nationaal Archief, zo ver wil ik niet gaan maar het lijkt erop dat er in het een of ander gemeentearchief wat correspondentie zit ter zake. Misschien zoek ik dat nog wel eens uit. Voor nu nog een gedicht, getiteld: Linie van toezigt:







* 'Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België ter uitvoering van het Tractaat van 19 april 1839 en tot definitieve regeling der wederzijdse rechten en belangen', overeengekomen op 5 november 1842

zaterdag 26 november 2016

Baselmans-De Laat

Vanochtend met Broer naar Hoogeloon geweest om een exemplaar van ons jaarboek te bezorgen bij de smid. Onderweg vroeg hij me of ik iets wilde nakijken in de kranten ("Gè zit nog al eens mee in aauw krante te kèke"). Hij had horen vertellen dat er in 1915 in Bladel een vrouw zou zijn verongelukt terwijl ze bezig was een ham uit de schoorsteen te halen. Zo ging dat vroeger, die hingen daar om gerookt te worden. Ze zou een stoel op de tafel hebben gezet om erbij te kunnen en daar vervolgens van af zijn gevallen. Hij dacht dat ze De Laat heette en dat het gebeurd was in mei 1915.
Hij had gelijk: 


Het ging om Maria Catharina de Laat, 38 jaar oud en getrouwd met Wilhelmus Baselmans*:


Twee weken later werd Steven van de Nieuwegiessen, de twintigjarige zoon van Govert van de Nieuwegiessen getroffen door de bliksem toen hij bezig was op het land:






* ik vermoed dat ik het kringetje alleen maar rond heb gemaakt. Broers verhaal komt zo mooi overeen met het krantenbericht dat zijn bron het waarschijnlijk ook gewoon uit de aauw kranten had

donderdag 10 november 2016

Topobio

Dinsdagavond naar een lezing geweest bij de Acht Zaligheden in Eersel*, op de fiets, door de stromende regen. Hier in Bladel heeft het idee in mij postgevat dat ik alles op de fiets moet doen. Het zal de gezonde lucht wel wezen. Dat idee moet er snel uit anders lig ik met kerst te bed met een longontsteking.

Spreker in Eersel was Rien de Visser uit Heeswijk. Op de Eerselse website stond te lezen dat hij de knuppel in het hoenderhok van de monumentenzorg kwam gooien. Dat beloofde wat. Temeer omdat ik me herinner dat hij tot voor een jaar of tien werkzaam was op de afdeling Kunst en Cultuur van de gemeente Eindhoven, een dependance me dunkt van het hoenderhok dat hij ging knuppelen.

Op deze mijn blog maak ik lange lezingen kort en sprekers lezing wás lang.** Hij wil dat we op zoek gaan naar de verhalen achter historische plekken en opstallen, dat we de topoi een biografie verschaffen. Zo kort kan ik het maken. Ook nog dit: we moeten die verhalen op innovatieve en creatieve manieren vertellen. 
Wat hij bedóelt, laat zich misschien het beste uitleggen aan de hand van wat-ie niet wil.
Historische panden worden gesloopt (af en toe hoor, niet de hele tijd door). Soms moet dat, spreker kan daar inkomen. Zorg alleen wel, zegt-ie, dat je iets van het oude intact laat zodat het verhaal voort kan leven. Niet het oude tot de grond toe afbreken, opruimen en vervangen door neo-woningbouw, nee, laat altijd wat staan en integreer dat in het nieuwe. Houd het verhaal in stand, preserveer de topos. En haal er een kunstenaar bij.
Mij spreekt dat wel aan. De voorbeelden waar hij mee kwam, waren intrigerend en inspirerend, alle tweehonderd.

Wat spreker evenmin vond deugen, is het vercommercialiseren van monumenten, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt op kasteel Heeswijk. De uitbaters van dat markante stukje erfgoed hebben een verhaal verzónnen om hun product te vermarkten, hullie kasteel in een feelgood pseudo-middeleeuws sprookje verpakt teneinde het optimaal uit te kunnen te venten. Dat sprookje strookt niet met de biografie, dat kunt u wel raden. Het bier dat er vroeger gebrouwen werd, was niet voorzien van een barcode. Het monument blijft weliswaar intact maar verliest zijn verleden. Niet goed. Historisch noch innovatief. Weg met die neoliberale brouwerij en de archieven in, zegt spreker. En daarna een kunstenaar erbij.
Dat archiefonderzoek, dat reconstrueren van de biografie is overigens - en daar val ik hem helemáál van harte bij - bij uitstek een taak van de heemkunde. Wij moeten ophouden met het tot in de eeuwen der eeuwen*** herhalen van onze clichés omtrent ons voorgeslacht, ophouden met het uitdragen van onze kempische romantiek. Wij zijn de negende zaligheid niet! D'n Hoapertse Goaper of d'n Haopertse Gaoper, weet ik veul, is hol van binnen!

Waar spreker ook nog op hamerde: aandacht voor het alledaagse in de monumenterij. Hij heeft iets met golfplaten daken, dat wist ik nog van vroeger, een stokpaardje waar je hem niet op moest zetten. Schuren, loodsen, fietsenstallingen, kippenhokken of wat dan ook met een  golfplaten dak komt net zo goed in aanmerking voor de monumentenstatus als kastelen, kerken en molens. Golfplaten daken gaan terug tot 1851! Enig criterium is dat de bouwwerken die ze dekken een verhaal hebben. Ook de voedersilo's die in de jaren zeventig als stompe groene kerktorens verrezen naast de boerderijen zijn monumentabel. Monumentenzorgers zien het alledaagse over het hoofd, gefixeerd als ze zijn op hun gedateerde canon. Als ik met Jos Seuntiëns naar het Klok- en Peelmuseum rijd in Asten**** en hij vertelt mij in het dikke half uur dat het kost om daar te komen over de levens van ik weet niet hoeveel Bladelse mensen die hij kent of gekend heeft (hij buurt nogal), dan bedrijft hij de facto heemkunde en zou ik eigenlijk al die tijd de voicerecorder op mijn telefoon aan moeten hebben. Registreer!, spreekt spreker, eenieder die de monumentenzorg aan het hart gaat registrere! Als je het niet kunt behouden, registreer het dan in ieder geval! Als het monumentale kippenhokdak vol zit met asbest en moet wijken: maak foto's! Registreer de verhalen. Leg het verleden vast opdat de neoliberalen er niet mee gaan lopen!

Ik stop ermee. Wat spreker wil en wat ik wil, begint een beetje door elkaar te lopen.*****

Vergeet het jaarboek niet (Renate is gisteren geweest dus het komt in de krant en dan wil je het toch zeker lezen?) en de open dag: maten & gewichten, geen kunstenaar aan te pas gekomen maar toch maar komen!******




* de concurrent. De naam spreekt boekdelen. Een van de onzen heeft ons ooit eens uitgeroepen tot het negende dier oorden maar als je het in Eersel zou vragen, weet ik zeker dat ze ook ons tot hun werkgebied rekenen. Ze schijnen al eens gevraagd te hebben hoe lang wij nog dachten te bestaan. Ik ben er lid overigens. En er heulen er meer bij ons.
** en ze deden ook nog eens het licht uit zodat ik maar moeilijk aantekeningen kon maken.
*** of zolang de gemeente het subsidieert
**** excursie van de heemkundige vereniging Pladella Villa op zaterdag 5 november 2016; lees er alles over in onze nieuwsbrief!
***** let op hè: ik heb niks tegen het neoliberalisme!
****** krèk op dit moment meldt Facebook mij dat mijn nicht twee foto's heeft toegevoegd aan de Brekelengroep, onze moederskant. Als je het afzet tegen de preoccupatie met stambomen van mijn collega-heemkundigen aan de Bleijenhoek, zou je die Brekelengroep als een innovatie kunnen beschouwen. Een tijdje geleden heb ik voorgesteld om alle foto's in die groep te voegen bij een al bestaande stamboom en het geheel te publiceren in het jaarboek. Maar waarom eigenlijk?

zaterdag 29 oktober 2016

De Geldersen

De hele week druk geweest met het jaarboek. U dacht al, houdt-ie er al weer mee op? Correcties, correcties op de correcties en daar de correcties op. Alle avonden mee bezig geweest. Ik ken het hele boek zowat van buiten nu. Daarnet de laatste weggedaan. Nu de advertenties nog. Die hebben hun draai nog niet gevonden om het in verhuistermen te zeggen.

Donderdag was ik er even tussenuit voor een lezing van de heer Harrie Jenniskens, hier om de hoek in Den Herd. Zijn onderwerp: de komst van de Geldersen naar Bladel aan het begin van de twintigste eeuw. U weet het allicht niet maar tussen 1911 en 1920 kwam er een opmerkelijk groot aantal boeren uit Gelderland (uit de streek de Liemers) naar Bladel. De Geldersche Hoeve aan de Akkerweg herinnert daar nog aan. Ze hadden namen als Sliepenbeek, Tenbült en Schenning, nog altijd bekende namen in Bladel en de zaal zat er vol mee. Dat was meteen ook een beetje het probleem met deze lezing: het publiek was deskundiger dan de deskundige. Jenniskens gaat er niettemin een artikel over schrijven, dat ik hier al wel even samen kan vatten.

Vanaf het jaar 1878 raakte de landbouw in een crisis, veroorzaakt door grootscheepse import van graan uit Amerika. De prijzen daalden en daarmee de inkomsten, armoe, honger, u kent het, na het loslaten van de quota zie je het vandaag de dag ook in de melkveehouderij. Er heeft zich toen - langzaam - een ommekeer voorgedaan in de landbouw: voor die tijd stond de (kleinschalige) veeteelt in dienst van de gewassenteelt: het vee leverde de mest, de eindproducten waren graan, aardappelen. Na die tijd kwam de gewassenteelt in dienst te staan van de veeteelt en werden de eindproducten vlees, melk, kaas, eieren. Ik wist dat niet! Ik heb het wel eens vermoed bij het lezen van de inspectieverslagen van Welstand uit die tijd maar donderdag hoorde ik het voor het eerst zoo expliciet. En ik was niet de enige die het niet wist: hier in Brabant wisten we het ook niet. Toen. En in 1911 nog steeds niet. In de Liemers wel. Bovendien was de woeste grond daar op. Er viel niks meer te ontginnen. De rek was eruit. Hier was nog heide in overvloed, we waren nog maar net begonnen met ontginnen. De Sliepenbeken en de Schenningen kregen daar lucht van en trokken naar hier. Zo zat het. Ze kwamen naar hier en bouwden de eerste megastallen, tot verbijstering (toen nog) van de inheemsen. Je* zou eens moeten onderzoeken in hoeverre wij hier in de Kempen onze welvaart te danken hebben aan allochtonen. Het thema komt ook nog even aan de orde in het notulenstuk in het jaarboek. Ook technologisch waren ze wat verder in de Liemers. Ze waren al bekend met landbouwmachines. Wat dat betreft ben ik een kind van mijn streek: gisteren heb ik een fiets gekocht, een van de laatste vier zonder elektrische motor.


* jaja, ik

vrijdag 29 april 2016

Aan het wielrijdend publiek

Gisteren stuitte ik op de volgende, hooghaagse stichting


in het archief van de gemeente Bladel-Netersel. Hoe in 's hemelsnaam is ze daarin beland? Wat had ze met Bladel-Netersel, een mooie gemeente, ik geef het u toe maar buiten de Kempen nauwelijks bekend, toch? In 1974?
Fout. De rijksambtenaren kenden Bladel heel goed. Ze zaten er in de bossen. Op tien juni waren ze door de gemeente in kennis gesteld van de voorgenomen aanleg van het ‘rijwielpad Tipmast-Postelseweg’. Het tracé van dat pad zagen ze niet zo zitten, ‘in verband met de kinderen, die zich van het kampeerterrein naar het wandelbos of naar de trimbaan willen begeven.’ Húllie kinderen. De stichting pachtte grond ter plaatse en het fietspad liep over die grond. 
Dat je zoiets moest meemaken, zo'n end van de harde Haagse realiteit, in de pittoreske Kempen. Collega-ambtenaren ook nog.
Beleefdelijk verstoutte de S.V.R.A. zich dan ook het gemeentebestuur een alternatief aan de hand te doen ‘dat naar onze mening aan het wielrijdend publiek ten aanzien van het zicht op natuurschoon geen geweld aandoet’.* 
Iemand heeft er dit bijgeschreven:


Dat zoek ik nog wel eens uit.


* Een beetje een kromme zin die ik u hier citeer, ik weet het. Wat u zich moet afvragen is: wie is het voorzetselvoorwerp?

donderdag 31 maart 2016

Het ding moet zijn getal hebben

Vanmorgen de eerste serie onderwerpdossiers bekeken voor het notulenstuk-1972. In de straatnamen-map trof ik deze brief van het bejaardenhuis:





Zoals u ziet, is hij niet voor het jaarboek van dit jaar. Ik heb hem toch gefotografeerd omdat me ter plekke een spreekwoord te binnen schoot dat er zo goed bij paste dat ik dacht, dat moet geblogd: 'De dood moet zijn getal hebben.' Zeg nou zelf. Ook moest ik denken aan Anatole France en Hubert Lampo.
Maar dat spreekwoord bestaat helemaal niet. Ik was in de war met 'God moet zijn getal hebben', door Lampo verheidenst tot 'De goden moeten hun getal hebben.' De dood heeft geen getal, de dood kan wel zonder. Met Anatole France zat ik er nog verder naast. Zijn boek heet: 'De goden zijn dorstig.'
Opmerkelijk vind ik de brief overigens wel. Bergman mag de dood dan de hoek om willen hebben, ik vind het mortuarium toch meer op zijn plek om de hoek bij het verpleegtehuis dan, zeg, bij de bibliotheek of het zwembad. 
Waar het natuurlijk ook niet zo heel ver vandaan lag.

Het is inderdaad Europalaan 6a geworden.

maandag 28 maart 2016

Garage Gebr. Van Keken

Rekening voor levering van een Daffodil (kleur: Olivia I; kenteken: MM-00-04) + poetsset en gratis buitenspiegel:


De auto was bestemd voor zuster Faustina, de verpleegkundige van het Wit-Gele-Kruis, afdeling Bladel en Netersel. Hij kostte f 5260,50. Dat was inclusief f 104,- 'voorschotkosten'.
De garage herinner ik me nog vaag, daar vooraan op de Wijer, of liever: achteraan, uitgaande van het huisnummer. Ik herinner me ook een Ron van Keken. Ik heb nog met hem gevoetbald.
Met het Wit-Gele-Kruis werd een kilometervergoeding overeengekomen en die was nodig. Van juni tot en met december 1963 maakte zuster Faustina 2793 kilometers in de Daffodil.





woensdag 16 maart 2016

Het einde van het Evangelie

In augustus 1972 gaat het in de gemeenteraad van Bladel en Netersel over al of niet meer invloed van burgers op het gemeentebeleid (‘openheid en inspraak’, toen ook al). Het raadslid Wairata gruwt ervan. Niks vooruitstrevende bedoelingen. Wat hier aan de orde is, is volgens hem niet meer dan een poging van een kleine fractie om de eigen plannen gerealiseerd te krijgen met behulp van de gemanipuleerde volksopinie. Wat de bewuste fractie zegt, zo heet het in de notulen, ‘zal wel het einde zijn van het Evangelie.’
De notulist blijkt de beeldspraak niet goed te hebben begrepen. Bij het vaststellen van de notulen wil Wairata het voorzetsel ‘van’ vervangen hebben door een komma, een nevenschikker. Het evangelie ís het einde.