(zie vorige)
Posts tonen met het label Reusel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Reusel. Alle posts tonen
zondag 17 januari 2016
woensdag 2 april 2014
Juffrouw Das
Zoals juffrouw Das meer dan een eeuw na hem, heeft in 1833 de toen twintig jaar oude Reuselse onderwijzer Philippus Schippers in Hapert een tijdlang de ‘onderwijzersbetrekking’ waargenomen. Het was voor hem het begin van een lange carriere in het onderwijs. In 1871 informeerden Gedeputeerde Staten naar de exacte duur van de waarneming, waarschijnlijk in verband met zijn aanstaande pensionering. Anders dan mij die van juffrouw Das in 1969, was ons in Hapert in 1833 de aanwezigheid van meester Schippers volkomen ontgaan:
Ter beantwoording der missive UEdele G A (..) hebben wy de eer UEdele G A te berigten dat het ons niet bekend is hoelang in het jaar 1833 Philippus Schippers waarnemend onderwijzer te Hapert is geweest daar in de notulen van den Raad dezer gemeente destijds geene aantekening is gehouden en niemand in degemeente ingezetenen van Hapert kan verklaren hoelang hy met de waarnemer is geweest de verklaring dienaangaande door eenige ingezetenen van Hapert gaat weeder met deze terug.
Wij hebben het dus bestaan om GS een document te retourneren waarin een aantal van ons, ouderen naar ik aanneem en al of niet namens ons allen, verklaarden veertig jaar eerder geen Philippus Schippers in ons dorp te hebben zien rondlopen. In Reusel kennen ze hem nog wel: in hullie heemkundig magazien De Schééper is ooit een artikel verschenen met de intrigerende titel Neffe 't pötje gepist? (Philippus Schippers).*
Ter beantwoording der missive UEdele G A (..) hebben wy de eer UEdele G A te berigten dat het ons niet bekend is hoelang in het jaar 1833 Philippus Schippers waarnemend onderwijzer te Hapert is geweest daar in de notulen van den Raad dezer gemeente destijds geene aantekening is gehouden en niemand in de
Wij hebben het dus bestaan om GS een document te retourneren waarin een aantal van ons, ouderen naar ik aanneem en al of niet namens ons allen, verklaarden veertig jaar eerder geen Philippus Schippers in ons dorp te hebben zien rondlopen. In Reusel kennen ze hem nog wel: in hullie heemkundig magazien De Schééper is ooit een artikel verschenen met de intrigerende titel Neffe 't pötje gepist? (Philippus Schippers).*
* december 2000, nr. 47, p. 31
zondag 30 maart 2014
Komt een marechaussee
s Bosch 5 augustus ..*
Aan Heeren Burgemeester en Wethouder der gemeente Reusel
Ten gevolge van het door U afgegeven requisitoir is in den avond van den 4 dezer alhier overgebragt om in het geneesk gesticht voor krankz te worden geplaatst zekere Peter Hoeks bouwman wonende in Uwe gemeente.
In billijkheid haden wij den lijder niet moeten plaatsen en hem en den geleider dadelijk moeten terugzenden
* medio negentiende eeuw; gemeentearchief Reusel.
Aan Heeren Burgemeester en Wethouder der gemeente Reusel
Ten gevolge van het door U afgegeven requisitoir is in den avond van den 4 dezer alhier overgebragt om in het geneesk gesticht voor krankz te worden geplaatst zekere Peter Hoeks bouwman wonende in Uwe gemeente.
In billijkheid haden wij den lijder niet moeten plaatsen en hem en den geleider dadelijk moeten terugzenden
1) omdat volgens de bestaande bepalingen vermeld in de hierbijgaande prospectus niet vooraf door de belanghebbende was kennis gegeven, dat een krankzinnige moest worden geplaatst, evenmin bekend was ten wiens lasten of voor wiens rekening of in welke klasse men verlangde hem te plaatsen
2) omdat de geleider niet voorzien was van de noodige gelden om drie maanden kostgeld bij den ontvanger te betalen, moetende die volgens de bestaande verordeningen goedgekeurd bij hooger bestuur telkens drie maanden vooruit moeten worden betaald en
3) omdat er geene mogelijkheid is eenen lijder in de klasse bestemd voor zulken, die voor rekening van gemeentebesturen moeten geplaatst worden, op te nemen daar die klasse bij de opname van Heeren inspecteurs reeds zoodanig overbevolkt was, dat daarvoor eerst plaats moet worden ingeruimd.
Alleen omdat de lijder na eene reis van Bladel herwaarts te hebben gemaakt, in den avond hier aankwam, geen onderkomen in een logement konde vinden, hebben wij uit menschlievendheid toegestaan hem dien nacht in het gesticht te bewaren en wel onder uitdrukkelijke belofte van den geleidende Marechuassee, dat hij hem ’s morgens vroeg zoude afhalen om mede terug te nemen; deze heeft aan zijne belofte geen stand gedaan en ons als het ware misleid door dien hij zonder iets van zich te laten hooren van hier vertrokken is.–
In dien stand van zaken zijn wij genoodzaakt U te verzoeken per omgaande den lijder te doen afhalen en tevens kennis te geven dat wanneer van Uwentwege hier niet binnen den kortst mogelijken tijd hier aan wordt voldaan wij voor rekening Uwer gemeente (zonder verder schrijven) hem zullen terug brengen.–
Wij willen U tevens ook kennis geven dat in de opvolgende klasse waarvan het kostgeld bepaald is op f200,- ’s jaars en f12,- voor kleeding nog enkele plaatsen open zijn; wil Uwe gemeente (indien hij voor rekening der gemeente is) er toe overgaan, die somme gedurende den tijd zijner verpleging te betalen, alsdan kan hij in die klasse verblijven, en U heeft ons zulks maar per omgaande te berigten. Mogt hij voor eigen rekening door den curator worden geplaatst, verzoeken wij U, ons hiervan kennis te geven en den curator aan te zeggen dat hij zoo spoedig mogelijk (om verdere onaangenaamheden die zouden voortspruiten wanneer wij den lijder terug laten brengen) voor te komen drie maanden kostgeld bedragen vijftig Guldens, benevens twaalf gulden voor kleeding, overzendt.
Indien hij echter voor rekening Uwer gemeente voorloopig tegen f200,- kostgeld en f12,- kleeding geplaatst wordt, zullen wij U dadelijk bij de eerste vacature (op de klasse van f146,-) hiervan kennis geven om hem tegen de verminderde prijs naar die klasse over te brengen.
Het Collegie van Regenten over de Godshuizen en de algemeene Armen te ’s Hertogenbosch
Joh Theod Luyckx voorz
W.A.J. Walsingh secr
2) omdat de geleider niet voorzien was van de noodige gelden om drie maanden kostgeld bij den ontvanger te betalen, moetende die volgens de bestaande verordeningen goedgekeurd bij hooger bestuur telkens drie maanden vooruit moeten worden betaald en
3) omdat er geene mogelijkheid is eenen lijder in de klasse bestemd voor zulken, die voor rekening van gemeentebesturen moeten geplaatst worden, op te nemen daar die klasse bij de opname van Heeren inspecteurs reeds zoodanig overbevolkt was, dat daarvoor eerst plaats moet worden ingeruimd.
Alleen omdat de lijder na eene reis van Bladel herwaarts te hebben gemaakt, in den avond hier aankwam, geen onderkomen in een logement konde vinden, hebben wij uit menschlievendheid toegestaan hem dien nacht in het gesticht te bewaren en wel onder uitdrukkelijke belofte van den geleidende Marechuassee, dat hij hem ’s morgens vroeg zoude afhalen om mede terug te nemen; deze heeft aan zijne belofte geen stand gedaan en ons als het ware misleid door dien hij zonder iets van zich te laten hooren van hier vertrokken is.–
In dien stand van zaken zijn wij genoodzaakt U te verzoeken per omgaande den lijder te doen afhalen en tevens kennis te geven dat wanneer van Uwentwege hier niet binnen den kortst mogelijken tijd hier aan wordt voldaan wij voor rekening Uwer gemeente (zonder verder schrijven) hem zullen terug brengen.–
Wij willen U tevens ook kennis geven dat in de opvolgende klasse waarvan het kostgeld bepaald is op f200,- ’s jaars en f12,- voor kleeding nog enkele plaatsen open zijn; wil Uwe gemeente (indien hij voor rekening der gemeente is) er toe overgaan, die somme gedurende den tijd zijner verpleging te betalen, alsdan kan hij in die klasse verblijven, en U heeft ons zulks maar per omgaande te berigten. Mogt hij voor eigen rekening door den curator worden geplaatst, verzoeken wij U, ons hiervan kennis te geven en den curator aan te zeggen dat hij zoo spoedig mogelijk (om verdere onaangenaamheden die zouden voortspruiten wanneer wij den lijder terug laten brengen) voor te komen drie maanden kostgeld bedragen vijftig Guldens, benevens twaalf gulden voor kleeding, overzendt.
Indien hij echter voor rekening Uwer gemeente voorloopig tegen f200,- kostgeld en f12,- kleeding geplaatst wordt, zullen wij U dadelijk bij de eerste vacature (op de klasse van f146,-) hiervan kennis geven om hem tegen de verminderde prijs naar die klasse over te brengen.
Het Collegie van Regenten over de Godshuizen en de algemeene Armen te ’s Hertogenbosch
Joh Theod Luyckx voorz
W.A.J. Walsingh secr
* medio negentiende eeuw; gemeentearchief Reusel.
vrijdag 8 november 2013
Voormuurtje IJ
De beklaagde Dirks heeft van de Gemeente gekocht de mond steenen A en heeft van de Gemeente gekregen of gekocht het voormuurtje Z; nu heeft Dirks behalve de mond steenen A, niet het voormuurtje (Z) van den mond steenen C. maar het voormuurtje (IJ) van den mond steenen B. weggenomen. Hij zegt dat hij meende het voormuurtje IJ (dat met de mond steenen B. door Jan van Gorp was gekocht van den Hr Burgemeester) en niet het voormuurtje Z gekregen te hebben en alzoo bij vergissing te hebben gehandeld.
Men wenschte nu te weten: 1e of het voormuurtje Z bij die gelegenheid ook door Dirks is weggenomen dan wel of hij dat heeft laten staan; heeft hij ook dat voormuurtje (Z) weggenomen dan heeft hij ter kwade trouw gehandeld, of is dat muurtje Z nog aanwezig of door anderen weggenomen en door wie. –
2e Is er iemand die, voor het geval ook het voormuurtje Z weg is gehaald gezien heeft dat dit door Dirks is geschied?
Van Gorp zal wel eenige inlichtingen kunnen geven. -
2e Is er iemand die, voor het geval ook het voormuurtje Z weg is gehaald gezien heeft dat dit door Dirks is geschied?
Van Gorp zal wel eenige inlichtingen kunnen geven. -
De vraag leek te zijn of Dirks abusievelijk dan wel criminaliter het voormuurtje IJ van de mond stenen B had weggenomen. Het speelde zich af in Reusel. Wanneer weet ik niet.
Staat er echt mond? Mand?
* verzoek om inlichtingen van de Officier van Justitie aan de burgemeester, als ik het wel heb. Gemeentearchief Reusel 1649-1935, invnr. 1377
dinsdag 3 september 2013
Winterstop
Uit de Meierijsche Courant*:
* 30 december 1916. De correspondent vergat de straatnaam, niet ik
Uitvoering
REUZEL. De R.K. Reuzelsche Voetbal Ver. gevestigd bij den heer C. Verhagen, Straat Reusel, zal op Zaterdag 6 en Zondag 7 Januari in haar gewoon lokaal eene tooneelvoorstelling geven.Behalve een boeiend drama vermeldt het programma nog twee kluchtspelen, elk in één bedrijf.Zij die de vorige uitvoeringen al meegemaakt hebben, zullen thans ook niet nalaten deze veelbelovende voorstelling te komen bijwonen.
* 30 december 1916. De correspondent vergat de straatnaam, niet ik
zondag 1 april 2012
waardoor de dood notoirlijk heeft moeten volgen: Corstiaan Kerkhofs
Compareerde voor Huybert Samuel Kouwenberg ende Hendrik Leenaerts Schepenen, mitsgaders Johan Christiaan van Crullenberg Secretaris Hendrik Vosters ende Anna van Gorp huijsvrouw van Willem Vosters seijnde van competenten ouderdom en inwoonderen alhier tot Reusel welke beijde onder praesentatie van eeden verclaaren, en sulx in faveur van het edele hoge officie der Staten meijerij van s. Bosch, waar ende waaragtigh te weesen endewel soo verclaart, den eersten comparant dat hij op gisteren des naar noens om half drie uuren voor het huijs van voorn: Willem Vosters mede alhier woonagtig heeft gesien, dat Corstiaan Kerkhofs, een hollend paart, dat in een kar gespannen was, bij den Toom hadt, om hetselve wast mogelijk op te houden, dat den toom off ketting waarmede hij het selve vast had mogelijk sal sijn gebrooken, dog voorn: Corstiaan kerkhofs als doen onder dat paart en kar gevallen sijnde, is aan de daardoor bekomene wonden kort daer na overleden.Ende verclaart de twede comparante dat sij in haar huijs sijnde, op het gerugt het geen sij hoorde, als doen na buijten liep, ende sag een paart en een kar gespannen sijnde voort loopen, en voorn. Corstiaan Kerkhofs tegen den gront liggen.Ende is mede gecompareert Antonij van de Water churgijn ende inwoonder tot Bladel den welken in faveur als voor verclaart op heeden te hebben gevisiteert ten onsen opstaan het lighaam van Korstiaan Kerkhofs en bevonden, dat een Rat van een kar over sijn hooft is gegaan, aan de regter seijde nevens het oor, met verbreking van de hals wervelen, en dat, dat rat, verder is gegaan over de linker borst met quetsing van inwendige deelen waardoor de dood notoirlijk heeft moeten volgen.Eijndigende sij comparanten hier mede henne opregte verclaring gevende voor redenen van welwetentheijd als in den Text en hebben daarbij gepressisteert ende verclaart hetselve alsoo waaragtig te wesenAldus gedaan ende gepasseert voor ende ten overstaan van Schepenen ende Secretaris voornoemt die dese neffens de comparanten, ten Register folio 151 recto eijgenhandig hebben ondertekent binnen Reusel op heden den sevenden november seventien hondert seven seventighhendrik vostersAnna van GorpA: van de WaterH. KouwenbergHendrick LeenaertsJ.C. v. Crullenberg Secrs.*
* RHC, A0204-50; zie ook: http://thijs.heemkundereusel.com/PDF's%20van%20Genealogie/Maria%20Elisabeth%20Kerckhofs.pdf
vrijdag 10 februari 2012
De Reuselse "schoolquaestie"
Bij mijn naspeuringen naar de onderwijssituatie in Hapert in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw - de tijd waarin het openbaar onderwijs in veel Brabantse dorpen werd vervangen door kartholiek bijzonder onderwijs - stootte ik op de Reuselse, in de bronnen hier en daar zo genoemde, "schoolquaestie". (Eigenlijk wilde ik me niet verdiepen in die Hapertse onderwijssituatie. Ik moest een stuk schrijven over meester van Hout die pas jaren ná die onderwijssituatie meester werd en waarvoor ik bovendien heb kunnen volstaan met de krantenknipsels van de heemkundevereniging. Voor de Reuselse schoolkwestie had ik al helemaal geen tijd. Dus ik wil het wel kort houden)
Die schoolkwestie heeft te maken met de Reuselse fraters. Zelf vernam ik pas van hun bestaan in 2008, toen ze... weer vertrokken uit Reusel. Bij die gelegenheid organiseerden ze ten hunnent een uitverkoop en kocht ik behalve honderd en nog wat boeken, zes vierkante glazen eetborden en drie zilveren dienbladen van ze.
Er is over de fraters geschreven (Honderd jaar fraters in Reusel 1884-1984), door (frater) Werner Smulders en Martien Heesters. Dat boek is mijn voornaamste bron.
De fraters van Reusel waren welbeschouwd die van Tilburg. Ze waren gekomen in 1884, om les te geven aan het door pastoor Van der Wee kort daarvoor opgerichte Sint Cornelius Gesticht. Het Sint Cornelius was een jongensweeshuis annex jongensschool. De pastoor had een paar jaar eerder al een meisjesschool opgericht en het daarbij niet willen laten: "Nauwelijks had hij die eerste stichting voltooid of zijn immer werkzame geest peinsde op eene tweede. Voor de meisjes had hij gezorgd, voor de jongens ook zou hij zorgen."* Geld was er: een onbekende Antwerpse weldoener had 100.000 gulden geschonken en met die hele gift contant in de binnenzak van zijn soutane is de pastoor - zo wil het de overlevering - van Antwerpen naar Reusel gereisd.
Er kwam een fraterhuis met inpandige jongensschool, er kwamen fraters-onderwijzers, de burgemeester kwam met de registers van de burgerlijke stand, iemand zette koffie en in één kerkelijk-wereldse marathon-zitting werden 85 Reuselse jongens opgeroepen en ingeschreven, niet jonger dan vijf en niet ouder dan twaalf; de autoriteiten - hoewel deels medeplichtig - werden formeel van het initiatief in kennis gesteld zoals artikel 7 van de Onderwijswet van 1854 dat voorschreef en op 18 november werd de school ingezegend en kon het Goede Werk een aanvang nemen. De gemeente sloot de openbare school, ontsloeg het openbare personeel en sprak af met de gemeente Hooge Mierde dat ouders die er op stonden dat hun kinderen als vanouds openbaar in plaats van katholiek onderwijs zouden ontvangen op de daar nog bestaande openbare scholen terecht zouden kunnen, tegen een door de gemeente Reusel te betalen vergoeding.
Zo kwam er in Reusel - 35 jaar eerder dan elders bij ons - een eind het openbaar onderwijs. En begon de Reuselse schoolkwestie.
De met Hooge Mierde getroffen regeling werd afgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, zijnde strijdig met artikel 16 van de Onderwijswet, dat voorschreef "dat in elke gemeente voldoende lager onderwijs wordt gegeven in een genoegzaam aantal scholen, welke voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid toegankelijk zijn." Voor wie zijn kinderen niet naar een katholieke school wilde sturen, oordeelden GS, moest er de mogelijkheid tot openbaar onderwijs binnen de eigen gemeente zijn. GS verplichtten Reusel een openbare school inclusief onderwijzers paraat te hebben, ook al stelde niemand in Reusel er prijs op.
Reusel ging in beroep bij de Raad van State. Artikel 16, claimde de gemeenteraad, bepaalde weliswaar dat er voldoende openbaar onderwijs moest zijn maar voegde daar "als in eenen adem" aan toe dat dat niet een "volstrekt vereiste" was: dat je als gemeente ook aan dat artikel kon voldoen door je ter zake te verenigen met "naburige Gemeenten", zoals Reusel had gedaan met Hooge Mierde. Stond in de wet!**
Het Reuselse beroep haalde de krant en de nationale politiek: wat had het voor zin om een gemeente de mogelijkheid te bieden om een regeling te treffen met een belendende gemeente als die eerste gemeente vervolgens toch een openbare school moest optuigen? Het kamerlid Vermeulen meende dat Gedeputeerde Staten in Den Bosch moesten inbinden: "Mijns inziens laten de 1ste en 3de alinea van art. 16 der schoolwet (..) geene andere gezonde opvatting toe. Wel zegt de 1ste alinea, dat in elke gemeente openbaar onderwijs zal gegeven worden; maar om onderwijs te geven moeten er toch ook kinderen zijn die zich aanmelden om dat onderwijs te ontvangen. Anders wordt, ook als men eene ledige school en een ledigloopende onderwijzer heeft, aan die bepaling toch niet voldaan. Desniettemin schijnen er colleges van Gedeputeerde Staten en schoolautoriteiten te zijn, die zich aan de letter der wet vastklampen."
De minister wilde de uitspraak van de Raad van State afwachten.
Die viel mee en tegen: de Raad bepaalde dat wie gebruik maakte van de mogelijkheid in artikel 16 (3e alinea) om een regeling te treffen met een naburige gemeente, zoals die van Reusel hadden gedaan, voldeed aan de verplichting in datzelde artikel 16 (1ste alinea) om zijn ingezetenen voldoende openbaar onderwijs te bieden. Maar Reusel en Hooge Mierde hadden meer geregeld dan de wet toeliet. Zo stond er in hun overeenkomst dat die zou komen te vervallen als Hooge Mierde extra onderwijzers zou moeten aanstellen vanwege de komst van naburige kinderen en had Reusel zich verplicht om de eigen openbare school weer te openen als er meer dan 12 Reuselse kinderen schoolgingen in Hooge Mierde. Dat nu, hoewel fijn voor Hooge Mierde en ogenschijnlijk niet in tegenspraak met de geest van artikel 16, hadden Reusel en Hooge Mierde niet in hun overeenkomst mogen zetten.
Formaliteit! Nog geen maand later, op 31 januari 1886, hadden Reusel en Hooge Mierde een herziene regeling klaar (de door de Raad van State gewraakte bepalingen waren weggelaten, of liever versoberd tot een vergoeding van drie gulden per kind en een opzegtermijn van drie maanden). Drie weken later, op 18 februari 1886, onthielden Gedeputeerde Staten niettemin opniéuw hun goedkeuring aan de regeling, schijnbaar om dezelfde reden als eerder.*** Door maar weer naar de Raad van State dus en die besliste dat de "thans gemaakte gemeenschappelijke regeling" ermee door kon en dat mét die regeling noch artikel 16 werd overtreden, noch "de belangen van het openbaar onderwijs" werden geschaad. Het besluit van Gedeputeerde Staten werd vernietigd.
Artikel 16 is daarna in de Tweede Kamer niet meer aan de orde geweest.**** Wel viel - een paar jaar later - het oog van de Algemeene Rekenkamer nog op de gemeente Reusel. Sinds 1862 namelijk, ontving men in Reusel jaarlijks een subsidie van 200 gulden "tot bestrijding van jaarwedden, van onderwijzers en onderwijzeressen bij de lagere scholen." Omdat alle Reuselse kinderen waren overgegaan naar de fraters en de leerkrachten die voorheen les hadden gegeven aan de openbare school ontslagen, was de Rekenkamer maar eens gaan informeren bij de minister: kon de gemeente Reusel nog wel aanspraak maken op dat subsidie, nu gebleken was dat men geen cent meer uitgaf aan onderwijzerssalarissen. Die besloot daarop het subsidie in te trekken.
Zo kwam een eind aan de Reuselse schoolkwestie. In de woorden van de chroniqueur van de fraters:
* De auteurs citeren hier uit De fraters van Tilburg 1844-1944 (Th.Horsten, 1946, p. 19). Voor de jongens zorgde tot dan toe overigens de burgerlijke overheid.
** De passage waarnaar die van Reusel verwezen luidde letterlijk: "Naburige gemeenten kunnen zich (..) vereenigen tot het oprigten en in stand houden van gemeenschappelijke scholen of tot het vaststellen eener regeling omtrent de toelating van kinderen uit de eene gemeente op de scholen der andere."
*** Anders dan frater Werner en Martien Heesters, beschik ik dankzij internet wel over het koninklijk besluit van 15 juni 1886, waarin hierover wordt gerept; maar net als zij ook niet over meer dan dat (niet bv. over de eigenlijke besluiten van GS van Noord-Brabant, de adviezen en voordrachten bij de Raad van State ter zake ingebracht of de eigenlijke tekst van de Reusels-Mierdse regelingen). Over dit op het eerste gezicht nogal hardleerse besluit van GS weet ik dan ook niet meer dan dat men oordeelde dat ook aan de nieuwe Reusels-Mierdse regeling "de opheffing der openbare school te Reusel ten grondslag liggen zoude, dat zoodanige opheffing in strijd zou zijn met het voorschrift der eerste zinsnede van art. 16 der wet op het lager onderwijs"; krek as urst, dus, zij het dat bij GS ook nog heeft meegespeeld de overweging "dat de bevoegdheid bij de laatste zinsnede van dat artikel (16) aan de gemeenstebesturen gegeven op het hier aanwezige geval niet van toepassing zoude zijn." Hier pas ik.
**** Zij het niet alleen vanwege de uitspraak van de Raad van State. Het kamerlid Vermeulen wilde de Reusels schoolkwestie meenemen met de eventuele wijziging van artikel 194 van de Grondwet, waarover de beraden op dat moment al liepen. Het is twijfelachtig of in dat kader van de Reuselse schoolkwestie nog iets is vernomen.
Die schoolkwestie heeft te maken met de Reuselse fraters. Zelf vernam ik pas van hun bestaan in 2008, toen ze... weer vertrokken uit Reusel. Bij die gelegenheid organiseerden ze ten hunnent een uitverkoop en kocht ik behalve honderd en nog wat boeken, zes vierkante glazen eetborden en drie zilveren dienbladen van ze.
Er is over de fraters geschreven (Honderd jaar fraters in Reusel 1884-1984), door (frater) Werner Smulders en Martien Heesters. Dat boek is mijn voornaamste bron.
De fraters van Reusel waren welbeschouwd die van Tilburg. Ze waren gekomen in 1884, om les te geven aan het door pastoor Van der Wee kort daarvoor opgerichte Sint Cornelius Gesticht. Het Sint Cornelius was een jongensweeshuis annex jongensschool. De pastoor had een paar jaar eerder al een meisjesschool opgericht en het daarbij niet willen laten: "Nauwelijks had hij die eerste stichting voltooid of zijn immer werkzame geest peinsde op eene tweede. Voor de meisjes had hij gezorgd, voor de jongens ook zou hij zorgen."* Geld was er: een onbekende Antwerpse weldoener had 100.000 gulden geschonken en met die hele gift contant in de binnenzak van zijn soutane is de pastoor - zo wil het de overlevering - van Antwerpen naar Reusel gereisd.
Er kwam een fraterhuis met inpandige jongensschool, er kwamen fraters-onderwijzers, de burgemeester kwam met de registers van de burgerlijke stand, iemand zette koffie en in één kerkelijk-wereldse marathon-zitting werden 85 Reuselse jongens opgeroepen en ingeschreven, niet jonger dan vijf en niet ouder dan twaalf; de autoriteiten - hoewel deels medeplichtig - werden formeel van het initiatief in kennis gesteld zoals artikel 7 van de Onderwijswet van 1854 dat voorschreef en op 18 november werd de school ingezegend en kon het Goede Werk een aanvang nemen. De gemeente sloot de openbare school, ontsloeg het openbare personeel en sprak af met de gemeente Hooge Mierde dat ouders die er op stonden dat hun kinderen als vanouds openbaar in plaats van katholiek onderwijs zouden ontvangen op de daar nog bestaande openbare scholen terecht zouden kunnen, tegen een door de gemeente Reusel te betalen vergoeding.
Zo kwam er in Reusel - 35 jaar eerder dan elders bij ons - een eind het openbaar onderwijs. En begon de Reuselse schoolkwestie.
De met Hooge Mierde getroffen regeling werd afgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, zijnde strijdig met artikel 16 van de Onderwijswet, dat voorschreef "dat in elke gemeente voldoende lager onderwijs wordt gegeven in een genoegzaam aantal scholen, welke voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid toegankelijk zijn." Voor wie zijn kinderen niet naar een katholieke school wilde sturen, oordeelden GS, moest er de mogelijkheid tot openbaar onderwijs binnen de eigen gemeente zijn. GS verplichtten Reusel een openbare school inclusief onderwijzers paraat te hebben, ook al stelde niemand in Reusel er prijs op.
Reusel ging in beroep bij de Raad van State. Artikel 16, claimde de gemeenteraad, bepaalde weliswaar dat er voldoende openbaar onderwijs moest zijn maar voegde daar "als in eenen adem" aan toe dat dat niet een "volstrekt vereiste" was: dat je als gemeente ook aan dat artikel kon voldoen door je ter zake te verenigen met "naburige Gemeenten", zoals Reusel had gedaan met Hooge Mierde. Stond in de wet!**
Het Reuselse beroep haalde de krant en de nationale politiek: wat had het voor zin om een gemeente de mogelijkheid te bieden om een regeling te treffen met een belendende gemeente als die eerste gemeente vervolgens toch een openbare school moest optuigen? Het kamerlid Vermeulen meende dat Gedeputeerde Staten in Den Bosch moesten inbinden: "Mijns inziens laten de 1ste en 3de alinea van art. 16 der schoolwet (..) geene andere gezonde opvatting toe. Wel zegt de 1ste alinea, dat in elke gemeente openbaar onderwijs zal gegeven worden; maar om onderwijs te geven moeten er toch ook kinderen zijn die zich aanmelden om dat onderwijs te ontvangen. Anders wordt, ook als men eene ledige school en een ledigloopende onderwijzer heeft, aan die bepaling toch niet voldaan. Desniettemin schijnen er colleges van Gedeputeerde Staten en schoolautoriteiten te zijn, die zich aan de letter der wet vastklampen."
De minister wilde de uitspraak van de Raad van State afwachten.
Die viel mee en tegen: de Raad bepaalde dat wie gebruik maakte van de mogelijkheid in artikel 16 (3e alinea) om een regeling te treffen met een naburige gemeente, zoals die van Reusel hadden gedaan, voldeed aan de verplichting in datzelde artikel 16 (1ste alinea) om zijn ingezetenen voldoende openbaar onderwijs te bieden. Maar Reusel en Hooge Mierde hadden meer geregeld dan de wet toeliet. Zo stond er in hun overeenkomst dat die zou komen te vervallen als Hooge Mierde extra onderwijzers zou moeten aanstellen vanwege de komst van naburige kinderen en had Reusel zich verplicht om de eigen openbare school weer te openen als er meer dan 12 Reuselse kinderen schoolgingen in Hooge Mierde. Dat nu, hoewel fijn voor Hooge Mierde en ogenschijnlijk niet in tegenspraak met de geest van artikel 16, hadden Reusel en Hooge Mierde niet in hun overeenkomst mogen zetten.
Formaliteit! Nog geen maand later, op 31 januari 1886, hadden Reusel en Hooge Mierde een herziene regeling klaar (de door de Raad van State gewraakte bepalingen waren weggelaten, of liever versoberd tot een vergoeding van drie gulden per kind en een opzegtermijn van drie maanden). Drie weken later, op 18 februari 1886, onthielden Gedeputeerde Staten niettemin opniéuw hun goedkeuring aan de regeling, schijnbaar om dezelfde reden als eerder.*** Door maar weer naar de Raad van State dus en die besliste dat de "thans gemaakte gemeenschappelijke regeling" ermee door kon en dat mét die regeling noch artikel 16 werd overtreden, noch "de belangen van het openbaar onderwijs" werden geschaad. Het besluit van Gedeputeerde Staten werd vernietigd.
Artikel 16 is daarna in de Tweede Kamer niet meer aan de orde geweest.**** Wel viel - een paar jaar later - het oog van de Algemeene Rekenkamer nog op de gemeente Reusel. Sinds 1862 namelijk, ontving men in Reusel jaarlijks een subsidie van 200 gulden "tot bestrijding van jaarwedden, van onderwijzers en onderwijzeressen bij de lagere scholen." Omdat alle Reuselse kinderen waren overgegaan naar de fraters en de leerkrachten die voorheen les hadden gegeven aan de openbare school ontslagen, was de Rekenkamer maar eens gaan informeren bij de minister: kon de gemeente Reusel nog wel aanspraak maken op dat subsidie, nu gebleken was dat men geen cent meer uitgaf aan onderwijzerssalarissen. Die besloot daarop het subsidie in te trekken.
Zo kwam een eind aan de Reuselse schoolkwestie. In de woorden van de chroniqueur van de fraters:
Bij besluit van Z.M. is Reuzel alzoo van openbaar onderwijs bevrijd.
* De auteurs citeren hier uit De fraters van Tilburg 1844-1944 (Th.Horsten, 1946, p. 19). Voor de jongens zorgde tot dan toe overigens de burgerlijke overheid.
** De passage waarnaar die van Reusel verwezen luidde letterlijk: "Naburige gemeenten kunnen zich (..) vereenigen tot het oprigten en in stand houden van gemeenschappelijke scholen of tot het vaststellen eener regeling omtrent de toelating van kinderen uit de eene gemeente op de scholen der andere."
*** Anders dan frater Werner en Martien Heesters, beschik ik dankzij internet wel over het koninklijk besluit van 15 juni 1886, waarin hierover wordt gerept; maar net als zij ook niet over meer dan dat (niet bv. over de eigenlijke besluiten van GS van Noord-Brabant, de adviezen en voordrachten bij de Raad van State ter zake ingebracht of de eigenlijke tekst van de Reusels-Mierdse regelingen). Over dit op het eerste gezicht nogal hardleerse besluit van GS weet ik dan ook niet meer dan dat men oordeelde dat ook aan de nieuwe Reusels-Mierdse regeling "de opheffing der openbare school te Reusel ten grondslag liggen zoude, dat zoodanige opheffing in strijd zou zijn met het voorschrift der eerste zinsnede van art. 16 der wet op het lager onderwijs"; krek as urst, dus, zij het dat bij GS ook nog heeft meegespeeld de overweging "dat de bevoegdheid bij de laatste zinsnede van dat artikel (16) aan de gemeenstebesturen gegeven op het hier aanwezige geval niet van toepassing zoude zijn." Hier pas ik.
**** Zij het niet alleen vanwege de uitspraak van de Raad van State. Het kamerlid Vermeulen wilde de Reusels schoolkwestie meenemen met de eventuele wijziging van artikel 194 van de Grondwet, waarover de beraden op dat moment al liepen. Het is twijfelachtig of in dat kader van de Reuselse schoolkwestie nog iets is vernomen.
vrijdag 27 januari 2012
Groeten: De Voetsen (7)
Wilco uit Reusel, Christ en Lies náár Reusel. De oudste kaart daarheen - Molenstraat 2 - is de spotgoedkope van Henk en Peet uit Krakow: 5 juli 1972. Correctie: die van 1 februari 1971 uit Santa Cruz de Tenerife zonder afzender ("We zitten hier droog te kijken. alles goed. Mooi weer").
Wilco zou een neef kunnen zijn, zoon van een broer van Lies, misschien wel de Gijsbersen-Timmermans die we eerder tegenkwamen. Een andere kandidaat is de een of ander op deze:
De Wilco Gijsbers die Google en Facebook ophoesten, lijkt niks op het beeld in mijn geheugen + 30.
Om Wilco maar even te parkeren: de laatste Reuselse kaart viel bij Christ en Lies in de bus rond de 10e juni 1978. Hij kwam uit San Antonio, Spanje en de afzender schreef:
Wilco zou een neef kunnen zijn, zoon van een broer van Lies, misschien wel de Gijsbersen-Timmermans die we eerder tegenkwamen. Een andere kandidaat is de een of ander op deze:
De Wilco Gijsbers die Google en Facebook ophoesten, lijkt niks op het beeld in mijn geheugen + 30.
Om Wilco maar even te parkeren: de laatste Reuselse kaart viel bij Christ en Lies in de bus rond de 10e juni 1978. Hij kwam uit San Antonio, Spanje en de afzender schreef:
Groeten uit Spanje. De Son is herlich, gemiddeld 35 graden. Appartemento in San Antonio is petto, is niet goedto, Ibiza stadto heteros.Niet de ouders van Christ en Lies: uit de adressering van een andere kaart blijkt dat er een "klein-Christje Voets" heeft gewoond aan de Molenstraat 2. Papa = Henk junior. De moeder is een geboren Das.
Veel kusjes van papa + mama en tot ziens xxxxx
Abonneren op:
Posts (Atom)

