Posts tonen met het label Snieders. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Snieders. Alle posts tonen

dinsdag 12 september 2023

Heks

Zwarte Kaet is een romanpersonage. Punt. Ze komt voor in de historische roman Het kind met den Helm, geschreven door de in Bladel geboren auteur Jan Renier Snieders van de Sniederslaan. De roman verscheen in 1852. Het was Snieders’ eerste. Waar de ster van zijn broer August al flink aan het rijzen was, had Jan Renier nog een aantal boeken te gaan voordat men hem serieus ging nemen.

In die tijd had je goeie en slechte personages in romans en Zwarte Kaet is in het boek van Jan Renier het allerslechtste. Het loopt niet goed met ‘r af. Ze krijgt haar verdiende loon. Áls Jan Renier al enige sympathie voor haar voelde, wat ik betwijfel, dan nog verplichtte de conventie hem om boontje om haar loontje te laten komen. Niks aan te doen.

Kaet mag dan doodgaan (zo erg is het), vandaag de dag is ze springlevend. Men kent haar, haar en haar boom. Ze heeft haar eigen bier, kaas, chocola en fietsroute. Jan Renier zou zich omdraaien in zijn graf. Zwarte Kaet is groter geworden dan het boek waarin zij tot leven is gebracht, groter dan de goeien, groter ook dan haar schepper zelf. De reden is simpel: Zwarte Kaet was een heks. Tegen heksen kan niemand op.

Ik ben zo vrij u even mee de roman in te nemen. Verbeeldt u: het verhaal is al bijna uit. De Hellenenders zijn opgehangen en Kaet ligt vastgeketend in de gevangenis. Ze gaat als een razende tekeer. 

Door het raam wordt ze gadegeslagen door twee Bladelnaars, Leendert de bakker, de nuchtere scepticus en Policarpus, de bijgelovige schoolmeester en kruidendokter, bijgenaamd 'Pontius Pilatus'. Die bijnaam had hij gekregen omdat hij zo vaak zijn handen waste. Dat moest-ie vanwege het vele kruidenplukken en kruidenmengen wat hij deed. Policarpus ziet in de stuiptrekkingen van Kaet het bewijs dat ze een heks is. Alleen een heks kan zo tekeer gaan, volgens hem. Leendert gelooft er niks van en de lezer begrijpt: wie op een eerlijke manier zijn brood verdient, heeft het gelijk aan zijn zijde. Leendert vermoedt dat er hondsdolheid in het spel is, een ziekte die vroeger wel vaker voorkwam en bekend stond als de ‘razernij’. 

De boodschap van Jan Renier is duidelijk: Policarpus is een dwaas en Leendert heeft gelijk, Zwarte Kaet is krankzinnig, al of niet door een hondenbeet, maar ze is géén heks. In de persoon van Leendert de bakker krijgt het verstand het laatste woord.

Maar Leendert komt te laat. De heks is dan al uit de fles. Het is nota bene Snieders eigen talent, zijn eigen plastiek die haar schiep. We bladeren terug in de roman. Luister en huiver.

Het jaar is 1610. Boven de markt ontwikkelt zich een onweer. Midden op de dag wordt het angstaanjagend donker, mensen gaan naar buiten en klitten bij elkaar op het plein. Juist als het begint te regenen en iedereen denkt dat het over zal waaien, daalt er, ik citeer, 

“een solferkleurige kegel neer, welks breed voetstuk met de wolken verenigd was, en waarvan de punt zich op de grond vastzette. In minder dan een oogenblik scheidde het voetstuk zich van zijn geboortewolk af en rees in een lange punt op, die een ontzaglijke hoogte bereikte en aan het natuurverschijnsel de vorm gaf van een zogenaamde Chinese ruit. Eensklaps scheen het gevaarte zich te bezielen en begon met vervaarlijke snelheid op zijn spil rond te draaien, en toch bleef het op hetzelfde punt stilstaan, als bezon het zich welke richting te geven aan zijn vernielende vlucht. Ineens spuwde het natuurverschijnsel een geweldige bliksem uit zijn schoot en in zijn ingewand hoorde men een gekraak, niet ongelijk aan dat van een barstende bom.” 

Iedereen doodsbang natuurlijk, de grond trilt als bij een aardbeving en wat denkt u? Net op het moment dat het bliksemt en knettert en dreunt en er een torenhoge vuurkegel op de markt staat, doemt uit het niets Zwarte Kaet op, de beruchte aanvoerster van de roversbende van het Hellenend. Aan haar hand voert ze ‘de Helm’ mee, het wonderkind van Ten Vorsel, dan al een opgeschoten puber. Luister:

“Doch wie beschrijft de verstomming der dorpelingen, toen er ineens aan de voet der verschrikkelijke vuurhoos een vrouw verscheen, die in de ene hand een dolk zwaaiende, met de andere een jongeling gewelddadig meesleurde!” 

En alsof dat beeld nog niet hekserig genoeg is, vervolgt Jan Renier:

“Het scheen een helse furie, die met haar opgeheven wapen, het vernielend luchtverschijnsel scheen te gebieden; want op dit oogenblik dreef de hoos met een vervaarlijke snelheid vooruit, rukte de grootste bomen omver en sloeg ze tot spaanders, ploegde een ontzaglijk diepe voor door de grond, spuwde regen en hagel uit haar gloeiende schoot en vloog met een verbazende sprong over de huizen, om zich op het akkerveld weerom neer te zetten. De doodsangst beklemde alle harten en stom van verbazing en afgrijzen herhaalde ieders mond: De Zwarte Kaet…! De Zwarte Kaet…! God zegene ons…!”

Jan Renier schiet zijn doel voorbij: de hekserigheid van het natuurverschijnsel moet dienen om het verdorven en grimmige karakter van Zwarte Kaet kracht bij te zetten. Maar het middel werkt zo goed dat de heks-idee zich niet alleen nestelt in de hoofden van de op het marktveld verzamelde Bladelnaars maar ook in die van ons. In Policarpus mogen wij dan het type van de bijgelovige dwaas herkennen, geef ons één vinger en wij pakken de hele heks!

zondag 10 juni 2018

Verzin een heks en perish before her

Het weekblad Rond den Heerd meldde op 26 december 1880 dat de boedrukkerij Splichal-Roosen te Turnhout het plan had opgevat een volksuitgave (goedkoop!) uit te brengen van de werken van Jan Renier Snieders, die van het pad, niet die van de laan. Dat was nodig want boeken als Amanda, De Meesterknecht en (voor ons natuurlijk van uitzonderlijk belang) Het kind met den Helm waren nergens meer te krijgen. De dan nog springlevende auteur had zich enthousiast betoond en de drukker kon gaan zetten. "Nog nooit zal in België eene zoo schoone en tevens goedkoope uitgaaf verschenen zijn. En een werk, dat vroeger in den handel 2 of 3 franken kostte, zal men zich nu aan den geringen prijs van 1 frank 50 centimen aanschaffen." Intekenaars wel te verstaan: "Buiten inteekening zal de prijs der boekdeelen aanzienlijk verhoogd worden."

Jan Renier Snieders is vergeten. Echt waar. Niemand kent hem nog. Ook zijn pad niet. Vraag maar na hier. Het leent zich niet voor scooters en e-bikes en dan boeit het niemand. In onlangs van kracht geworden privacywetgeving wordt gerept van het "recht om vergeten te worden". Voor Jan Renier is het het lot. Wel kent iedereen Zwarte Kaat, de heks die nooit heeft bestaan. Ze kwam uit de duim van Jan Renier. Ze heeft hem dik overleefd.
Wij heemkunde hebben zijn boeken nog. De hele serie drie keer. Ik sta op het punt om er twee bij het oud papier te zetten.

Sorry Jan Renier, de Bleijenhoek moet opgeruimd.

vrijdag 2 oktober 2015

Vlamingen

Het volgende stukje uit de Telegraaf van tien februari 1934 heb ik wel tien keer gelezen en nog ben ik er niet uit. Lees:


Het gaat om Dr. Sterkens. De vraag waarover ik me in mijn vrije lange weekend het hoofd zit te breken, is: wie zijn zijn 'Vlamingen'?

donderdag 3 september 2015

La Vie en Rose

In 1956 reist een onbekende journalist* van het dagblad De Tijd van Amsterdam naar Bladel. Als hij hoort, dat hij in het Sniedershuis mag slapen wordt het hem warm om het hart en verwart hij zijn snoepreisje naar Bladel zowat met een bedevaart naar Santiago de Compostella.
Zijn verslag roept een aantal lokaal-historische vragen op.

Eerst maar even lezen:

La Vie en Rose

Wij hebben één nacht geslapen in 't oude Sniedershuis te Bladel, het geboortehuis van dr. Jan Renier en dr. August Snieders. Misschien heeft dit de nieuwe generatie nauwelijks nog iets te zeggen, zijn deze beide volksschrijvers langzamerhand vergeten. Maar in onze eerste bundel op de H.B.S. kwam Jan Renier Snieders nog voor, met een fragment uit een van zijn Kempische romans. Zo'n bloemlezing is iets belangrijks in het jonge leven, zij was het althans voor ons: de ontdekking van een nieuwe wereld, de eerste ontmoeting met de literatuur. Zó intens en totaal geabsorbeerd hebben wij die bundel gelezen en eindeloos herlezen, dat wij nu nog uit ons hoofd zinnen en passages kunnen citeren, terwijl het vooral de sfeer was van de verschillende stukken, die ons voor altijd bij zou blijven. Die eerste smaak der schone letteren zijn wij ons leven lang niet kwijt geraakt, hij is bepalend geweest voor later de illusie, de verwachting, de stil verdroomde fantasie. Zo zou ook dat Snieders-fragment ons een voorstelling geven van uiterlijk en sfeer der Brabantse Kempen, de streek der Acht Zaligheden, waarin wij heilig geloofden en die wij trouw gebleven zijn, de jaren door.

Misschien de onbewuste vrees voor een gans andere werkelijkheid had ons tot dusver weerhouden om op eigen initiatief naar dit land te gaan, en eerst thans riep een uitnodiging ons naar Bladel: voor de plaatselijke studiekring Thomas More zouden wij spreken over Amsterdam. De bijeenkomst, zo schreef men ons, werd gehouden in 't oude Sniedershuis, waar wij ook konden overnachten. De reis erheen was daarmee helemaal een pelgrimage geworden, een opwindend avontuur, aanvaard in een merkwaardige gemoedsgesteldheid, geleidelijk aan een soort droomtoestand, die buiten de tijd stond en de werkelijkheid. Wij gingen een ontroering beleven van heel lang geleden, een wereld betreden, een levensatmosfeer, die zoveel jaar terug in onze verbeelding was opgebouwd door dat éne roman-fragment: want dat de Kempen, de Acht Zaligheden, Bladel intussen veranderd zouden zijn, misschien wel onherkenbaar, dat namen wij geen ogenblik aan. Wij wisten zeker, dat wij op die wonderbare reis de Sniedersen ontmoeten gingen, we zouden immers slapen onder hetzelfde dak, het landschap zien, de lucht ademen, de mensen ontmoeten, zoals zij die beschreven hadden.

* * * 

Gek, maar het is nog gelukt ook. Het is een heel merkwaardige belevenis geworden, die ons weer eens de overtuiging heeft geschonken, dat men deze wereld net zo kan inrichten en ondergaan als men zelf wil. In het laatste avondlicht reed de bus ons van Eindhoven naar Bladel. Er hing een gouden gloed aan de Westelijke hemel en die zouden wij nog heel lang blijven zien, tussen de stammen van het mastbos door, het Kempische mastbos, dat precies aan de verwachting beantwoordde. In het donker stonden wij op de Markt van Bladel en recht voor ons lag 't oude Sniedershuis, de lage, langgevelige Brabants-Frankische dorpswoning, thans het café der familie Groenen. Wij betraden het als inderdaad een heiligdom, een gewijde plaats, verwonderd over de gebeurtenis en ons hier aanwezig zijn, helemaal in een lichte roes, die niet meer van ons wijken zou. Het interieur bleek vertimmerd, maar wij keken door al dat moderne heen, terug in de tijd, dat hier de negen zonen Snieders onder de schouw tezamen kwamen. Wij hielden onze causerie, wij beantwoordden vragen, maar onze gedachten dwaalden telkens af: was het niet of de Sniedersen hier nu zaten onder ons gehoor, critisch naar ons luisterend of wij de lessen uit ooit die bloemlezing wel ter harte hadden genomen. Om de illusie te vervolmaken dronken wij Dommels bruin, bier uit de oude Kempische brouwerij, die tot in onze tijd in het bezit is gebleven van de Dommelse tak der Sniedersen. En wij lagen die nacht in een heel groot ledikant onder het dak, in altijd nog die eigenaardige verdroomdheid, die ons luisteren deed naar de stilte als was zij vol geheimzinnig gerucht. De andere morgen zagen wij Bladel, de Markt, de laatste linden voor het huis, in welker zomers lommer het in de dagen der Sniedersen zo diep wegschool als hun oude tante in haar falie. In „Dit zijn Snideriën" heeft dr. August Snieders de herinnering aan dit ouderhuis beschreven zoals ook zijn vertrek in 1841 als negentienjarige naar Antwerpen, hoe zijn moeder haar jongste wegbracht in de huifkar tot Turnhout, zijn hand in de hare hield geklemd en na heel lang zwijgen zei: „Houdt immer Uw naam in ere, en als gij moe gedwaald zijt kom dan terug in ons huis, daar zal het u altijd wel zijn". Het was niet een huifkar, maar de bus, die ons terug bracht naar Eindhoven, maar veel in het landschap was ongetwijfeld zo gebleven, als in de dagen der Sniedersen: de donkere zoom van het mastbos, de stammen recht en stijf als uit ijzer gesmeed, de laatste stukken heidegrond, dor en grauwbruin als de versleten pij van een capucijn.

* * *

Bij het wegrijden uit Bladel zagen wij in een vensterraam een affiche van de plaatselijke voetbalclub: Bladella. En opeens moesten wij glimlachen, die naam moest ons als Hollander heilig zijn. Want in dit nederig Bladel, het Bladella der oude kronieken, is het geweest, dat in 922 de Frankische koning Karel de Eenvoudige zijn trouwe Dirk, die zo krachtig tegen de Noorman gestreden had, verhief tot eerste Graaf van de gewesten, die thans Holland zijn genoemd. Zodat de wieg van Holland diep in Brabant heeft gestaan, tussen mastbos en heide van het Kempenland.

Zo sentimenteel als deze journalist, wordt waarschijnlijk niemand meer bij het horen van de naam Snieders. En er zullen ook wel niet zo heel veel mensen zijn, die bij het zien van een affiche van de VV Bladella moeten denken aan Karel de Eenvoudige. Onze man was een literair ingesteld kereltje met een passie voor geschiedenis. Het zou leuk geweest zijn als hij even had gekeken tegen wie Bladella moest spelen die zondag.
Wat opvalt is de wij-vorm. Je zou bijna denken dat het voltallige personeel van de krant kwam afzakken, terwijl het in feite maar ging om één persoon. De schrijver gebruikt de pluralis auctoris, een variant op die van de koningin vroeger: ‘Wij Juliana enz.’ In de jaren vijftig was die nog schering en inslag.
Dan de busreis. Als je op de kaart kijkt, zie je, dat die inderdaad naar het westen ging dus de ‘gouden gloed aan de Westelijke hemel’ kan kloppen. Het moet een hele reis geweest zijn. Later, in de jaren tachtig, heb ik hem zelf regelmatig gemaakt en zelfs toen duurde hij meer dan drie kwartier. Laat staan in 1956. En kwam de Grote Weg niet pas in 1960? Of was dat alleen in Hapert? Ik schat, dat hij minimaal een uur onderweg is geweest. Het was niet voor niets al donker toen hij in Bladel arriveerde.
Kempisch mastbos had je in de jaren tachtig tussen Veldhoven en Steensel, veel meer niet eigenlijk. En wat rond de Donksbergen. Heeft onze journalist tijdens zijn reis nog meer opgaand hout zien staan?
De Sniedersen kent u natuurlijk. Van de Sniedersenlaan. Dat het er zo veel waren, wist ik niet. U ook niet, zeker weten. In mijn tijd was de laan nogal hobbelig. Als je achterin de bus zat, werd je af en toe gelanceerd. Er kwam ook geen eind aan.
Het Sniedershuis kent U ongetwijfeld ook. Van de brasserie. Hij was maar net op tijd, de man van De Tijd. Drie jaar later werd het oorspronkelijke Sniedershuis afgebroken.
Maar nou komt het: kent U Thomas More? En meer nog: kent U de ‘plaatselijke studiekring’ van die naam?**




* Even heb ik gedacht dat het Kees Fens geweest kon zijn, mijn oude hoogleraar moderne letterkunde, die rond deze tijd begon als literair criticus bij De Tijd, maar die schreef vanaf het begin al veel... literairkritischer dan deze man. Ik zie hem dit niet geschreven hebben. Anton van Duinkerken misschien? Vanwege de passage over het bier? Ik kom er nog wel achter.
** Hoi Jannie! Gisteren redactievergadering gehad van Pladella Villa. Na een drukke tijd voor mij, gaan nu anderen aan de slag. Ik beloof niks maar probeer weer wat regelmatiger te bloggen.

donderdag 30 augustus 2012



CITATIO EDICTALIS: Nach dem die Eheleute BAREND ROOSEBOOM und TENNE gebohrne SNIEDERS, in der Bauerschaft Wilsum, die gerichtliche anzeige gemacht, wie sie nicht weiter im Stande seyen, ihre andringende glaubiger zu befriedigen, und dieserwegen ihre haabe und Güter denen Creditoren überlassen haben, worauf unter dem 16ten Hujus der concursus creditorium formaliter eröffnet worden; - als werden von Gerichts wegen alle und jede, welche an die Eheleute Barend und Tenne Rooseboom, zu Wilsum, anspruch und forderung zu haben vermeynen, hierdurch ein für allemahl Edictaliter Citiret, um am Montag den 25 April 1803, vormittags 10 uhr, vor hiesigem Gericht zu erscheinen, ihre forderungen; bey strafe der Exclusion von der dermahligen Concurs masse, alsdan zu propiniren, die darüber sprechende Urkunden zu produciren, und das ferner rechtliche zu gewärtigen. Signatum Ulsen, in der Graffschaft Bentheim, den 19 März, 1803.
Koniglich-Churfurstlicher Gericht .. C. Funcke
Het gaat waarschijnlijk om Fenne Snijders, geboren in Haftenkamp of in ieder geval daar gedoopt, in 1758 en overleden in Wilsum in 1854. Trouwde daar ook, in 1781, met Barend Rooseboom. Werd stokoud: overleefde het faillissement met 51 jaar.
Vader was Wärse Kösters, moeder Hindrikjen Snijders. Voerde kennelijk heur moers naam.
Haftenkamp, Wilsum, Ulsen: alles in het graafschap Bentheim, net over de grens bij Bruchterveld.
Alle kans geen familie also.