Posts tonen met het label protestant. Alle posts tonen
Posts tonen met het label protestant. Alle posts tonen

zaterdag 1 mei 2021

Sinterklaas is er een

Wat weet de jeugd nog van het geloof, vroeg een museumdirecteur, wien kennelijk een licht was opgegaan. Van kloosters en katholieken en protestanten? Weten ze bijvoorbeeld nog wel wat een bisschop is? Wisten de vergaderde cultuurcoaches of ze daar bij Brabants Erfgoed iets over hadden?

Ik stelde voor om de Bladelse pastoor in te schakelen. Ik stel mij voor dat die nog wel weet wat een bisschop is. Algehele hilariteit in de vergadering! En nee, de pastoor toch maar niet. Stel je voor zeg. In het museum nog wel.

Later begreep ik dat ik het verkeerd begrepen had. Hier speelt het verschil tussen weten en hebben. De pastoor mag dan heel veel weten van het katholicisme, hij hééft er niks over. Geen lespakket, om precies te zijn. Nog preciezer (want lespakketten heeft hij waarschijnlijk nog wel liggen): geen museaal inzetbare lespakketten. Musea stichten niet, laat staan dat ze preken. Musea dragen kennis over. Geoperationaliseerde kennis. Dat is wat je wil hebben. Dat is het verschil. Geen brood, boter en hagelslag maar een boterham in een trommel.

In Sint Agatha aan de Maas staat het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven. Ze hebben er een bibliotheek vol met boeken over bisschoppen. Ze schenken zelf gezette koffie (niet in de studiezaal uiteraard) en je krijgt er koekjes bij van eigen deeg. Je vindt er het materiaal voor zoveel lespakketten als je maar wil. Ze smeren alleen geen boterhammen. Het is een oord voor weters. En daarmee blijven ze onder de radar van de hebbers.

In een notendop: een bisschop is een betrekkelijk hoge pief in een vereniging van vroeger die het verschil heeft uitgevonden tussen goed en kwaad en die alles wat leuk is, schaart onder het laatste. Doe je het toch dan beweren ze dat je naar de hel gaat, een goed beveiligde gevangenis waar je van zijn leven en ook na je dood niet meer uitkomt en ze het niet zo nauw nemen met de mensenrechten. Vandaar het woord hel. Sinterklaas is er een, een bisschop. Maar die is OK. Voor de rest kom je ze eigenlijk nooit meer tegen.

donderdag 26 september 2013

Kateliek

Tussen 24 augustus en 21 oktober 1872 vielen er bij de Maatschappij van Welstand drie brieven in de bus van Hendrik Jacobus Lips, winkelier te ’s-Hertogenbosch en naar eigen zeggen kort daarvoor benoemd (door de Majesteit, gelijk in die tijd gebruikelijk) tot brievengaarder te Schijndel. Dat had ter plaatse enig kwaad bloed gezet want Lips was qua religie Nederlands Hervormd: ‘daar er met mij verschijdene solicitante uit genoemde plaats waren, en allen kateliek (..), zoo steken zij allen nu de hoofden, bij elkaar om rede ik Protestant ben, en wenden alles aan om mij geen onderkomen te bezorgen’. Het vinden van een onderkomen was hem niettemin gelukt (‘met een list’, tegen een ‘groote huur’ en enkel voor ‘tijd en wijl’). Kon Welstand hem niet helpen bij het vinden van iets beters? Verhuurde de Maatschappij te Schijndel niet een huis aan een kateliek? Kon hij dáár mettertijd niet in?
Op 14 oktober begon het te dringen: de pastoor had inmiddels lont geroken en zijn ongenoegen kenbaar gemaakt aan Lips' huisbaas. Die had hem vervolgens aangezegd naar iets anders om te zien (‘niet dat hij mij op straat zal zetten voor ik iets anders had dat niet maar hoe eerder ik iets had hoe liever hij het had’). Daar kwam bij dat het hebben van een pand uit hoofde van zijn werk een vereiste was (‘Ook den Heer Directeur uit ’s Bosch heeft mij gezegt ik hier niet mogt blijven, daar ik geen afsluiting of vrij kantoor heb’). En er was nog de ‘Heer de Waal een Israeliet’ die zijn zinnen weer had gezet op Lips’ huidige woning en ook al was komen informeren wanneer deze in het huisje van Welstand kon.
Een week later stond het er nog slechter voor. Het gerucht ging nu dat de kateliek van Welstand was verteld dat hij ‘gerust aan het zaaijen van zijn winter koren kon beginnen, daar hij zijn woning niet behoefde te verlaten’. Als Welstand genegen was om hem bij te staan, dan moest het nog deze week gebeuren. De kateliek had ‘expres deze week nog gewacht’ met zaaien.
Ik weet niet hoe het is afgelopen met Lips. Uit het archief blijkt niet dat Welstand hem heeft willen ondersteunen.* 



* BHIC, toegang 212, invnr. 73; briefnummers 212, 250 en 253. Niks over in 107, 19 verdient ter zake misschien nog a second look.

donderdag 14 maart 2013

Benoodigde kosten

Van de week door nicht Pleun geattendeerd op een artikel in Uitstraling over het protestantse kerkje in Bladel.* Te lezen valt:
Het kerkgebouw is in ongeveer 1820 gebouwd. In die tijd, net na de Franse Revolutie, werden katholieke kerken die door de protestantse overheid aan de protestanten waren gegeven, weer terug aan de katholieken gegeven. Voor de protestantse gemeenschap (die in deze regio in de minderheid was) werden er nieuwe kerkjes gebouwd. De uitvoering van het bouwen van deze kerken was in handen van Rijkswaterstaat en daarom worden de kerken ook wel ‘Waterstaatkerken’ genoemd.
Een dergelijk verklaring van het begrip waterstaatkerk heb ik vaker gehoord: er zou een ministeriële blauwdruk hebben bestaan voor het bouwen van de nieuwe kerkjes en rijksambtenaren zouden ten onzent de bouw ervan ter hand hebben genomen. Ik denk, ik kijk eens wat daarvan klopt.

Een vlugge blik op de literatuur leert dat wie begin negentiende eeuw een kerk wilde bouwen, zich moest melden bij de koning, ten laatste per 16 augustus 1824 en waarschijnlijk daarvoor ook al, al hadden de aspirant-bouwers, de kerkbesturen, dat misschien niet zo door, blijkens de aanmerking van het Koninklijk Besluit in kwestie:
In aanmerking nemende, dat eenige kerkbesturen geheel hebben uit het oog verloren, dat zij slechts zijn de beheerders der kerkgoederen, en dat hunne daden zich niet verder dan tot die van een eenvoudig beheer kunnen uitstrekken
Hier maar even het hele besluit (lang is het niet, de rapporten heb ik niet):
BESLUIT van den 16den augustus 1824, houdende, dat de kerkbesturen en kerkelijke administratien geene beschikkingen kunnen nemen omtrent onderwerpen, waarvan de bezorging hun niet uitdrukkelijk bij de bestaande wetten of verordeningen is opgedragen.

Wij WILLEM, BIJ DE GRATIE GODS, KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ., ENZ.

In aanmerking nemende, dat eenige kerkbesturen geheel hebben uit het oog verloren, dat zij slechts zijn de beheerders der kerkgoederen, en dat hunne daden zich niet verder dan tot die van een eenvoudig beheer kunnen uitstrekken;


Op de voordragten van den Directeur-Generaal voor de zaken van den Roomsch-Katholijken eeredienst, van den 30sten januarij en den 9den maart dezes jaars, nos. 3 en 17;

Gezien het rapport van Onzen staatsraad, directeur-generaal voor de zaken der hervormde kerk enz. van den 28sten februarij ll., no. 9;

Gezien het rapport van Onzen minister voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de Koloniën, van den 24sten maart ll.

Gelet op het rapport van Onzen Minister van Justitie, van den 13den april ll., no. 57;

Den Raad van State gehoord;

Hebben besloten en besluiten:

Art. 1. Alle kerkbesturen en kerkelijke administratien zullen zich zorgvuldiglijk wachten, van eenige bestellingen of beschikkingen te maken, omtrent onderwerpen, waarvan de bezorging hun niet uitdrukkelijk, bij de bestaande wetten, reglementen, orders of instructien, is opgedragen.

2. Zonder daartoe alvorens Onze toestemming te hebben verkregen, zal het niet geoorloofd zijn, om nieuwe kerken of gebouwen, tot de oefening van den openbaren eeredienst bestemd, te stichten of op te bouwen, nochte om de reeds bestaande te herbouwen of aan dezelve eene veranderde inrigting te geven; maar zullen de kerkbesturen zich enkel moeten bepalen tot de werken van noodzakelijk onderhoud, die de instandhouding der gebouwen mogt vorderen.

3. Bij de aanvragen om Onze toestemming tot de stichting, den opbouw, den herbouw of het veranderen der inrigting, mitsgaders tot het doen ten uitvoer brengen van andere werken, dan die van het noodzakelijk onderhoud der kerken en gebouwen tot oefening van den openbaren eeredienst bestemd, zal moeten gevoegd worden eene opgave van de daartoe vereischte kosten, en van de middelen, welke voorhanden zijn om die kosten te kunnen bestrijden.

4. Zonder daartoe alvorens Onze toestemming te hebben verkregen, zal het niet geoorloofd zijn om eenige nieuwe kerkelijke gemeenten op te rigten of in te stellen.
Bij de aanvragen om Onze toestemming, zal moeten gevoegd zijn eene opgave der benoodigde kosten en der fondsen, waaruit die zullen worden bestreden.

5. Even min zal het geoorloofd zijn, om, zonder daartoe Onze toestemming of de toestemming der openbare magten, die Wij zullen goedvinden daartoe aan te wijzen, te hebben verkregen, uit de kerken weg te breken, te vervoeren of te vervreemden, ofte om zich eenige andere beschikking te veroorloven met opzigt tot de in de kerken geplaatste voorwerpen van kunst of geschiedkundige gedenkstukken, van welken aard die ook zouden mogen zijn, voor zoo verre zij niet toebehooren aan bijzondere genootschappen of bijzondere personen.

Onze Ministers van Justitie, en van Binnenlandsche Zaken, Onderwijs en Waterstaat, mitsgaders de Directeurs-Generaal voor de Zaken van den Roomsch Katholijken, en van den Hervormden Eeredienst, zijn belast met de uitvoering van het tegenwoordig besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst.


Gegeven te ’s Gravenhage, den 16den augustus des jaars, en van Onze regering het elfde.
Niks inzake stichting of herbouw van kerken alvorens Toestemming, welke te bekomen enkel met opgave van kosten en beschikbare middelen. Van het meesturen van ontwerpen of tekeningen of het herwaarts sturen van kerk-kundigen wordt niet gerept, noch van een akkoord van Waterstaat, al zou dat allemaal best wel kunnen natuurlijk. Het lijkt me zelfs zeer waarschijnlijk als je ziet hoe zeer onze hervormde kerkjes hier op elkaar lijken. Zelfs dat van Hoogeloon is niet anders, met de pastorie er nota bene aan vast.

Het kerkje van Bladel is precies gebouwd in 1820 en heel erg strikt genomen dus een pre-waterstaatkerkje. Dat van Hapert was er wel een: eerste steen gelegd in 1826, de laatste verwijderd in het voorjaar van 1954.

* Paul van der Waerden: Protestants kerkje Bladel: een verborgen parel. In: Uitstraling, editie Bladel, jaargang 2013, week 10.

donderdag 4 oktober 2012

Stearine Kaarsenfabriek Gouda

Uit het Verslag van de 82ste Algemeene Vergadering van Bestuurders van de Maatschappij tot bevordering van Welstand, voornamelijk onder landlieden, gehouden in hotel De Zalm in Gouda op 30 mei 1902:
Waarom in Gouda? (..) De keuze heeft een diepen zin. Gouda is eene stad des lichts, der kaarsen. De kaars heeft eene oudere zuster, de walmende olielamp, eene nieuwere, het gaslicht. Zoo heeft ook het Protestantisme eene oudere zuster, het Catholicisme en eene jongere, het vrijdenkerig Positivisme. Gelijk nu de kaars het zuiverste licht geeft van de drie, haar licht het eenige kunstlicht is waarbij een schilder durft werken, zoo ook is van de drie andere gezusteren het licht van het Protestantisme het zuiverste, de waarheid, voorzoover zulks in bovenzinnelijken zin mogelijk is, het dichtst benaderend.
* BHIC, 212-15

donderdag 1 maart 2012

Haperts kerkje

 “... hoe aardig en eenvoudig het daar ook tusschen de bomen ligt”
De laatste jaren van het  protestantse kerkje in Hapert

Aan de Oude Provinciale Weg in Hapert, tussen de al lang verdwenen boerderij van Van Heijst (later Verhoeven) en de tegenwoordige Poort van Brabant, heeft tot kort na de oorlog een protestants kerkje gestaan. Het lag wat verscholen tussen de bomen en het torentje reikte niet zo heel erg hoog, vandaar dat het niet zo in het oog liep. De laatste decennia van zijn bestaan was het ook niet zo’n lust vóór het oog: het werd al lang niet meer gebruikt (voor het laatst in 1914, toen er een dienst werd gehouden voor de gemobiliseerde en hier gestationneerde militairen) en door de eigenaar, de Hervormde Gemeente Bladel-Hapert, werd het ook niet meer onderhouden. Het takelde zienderogen af.
In 1939 besloot de kerkeraad om het maar te slopen en de grond van de hand te doen.
Dat bleek makkelijker gezegd dan gedaan.

Monument
In de zomer van 1927 maakt een medewerker van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg een rondgang door de Kempen. Hij is bezig met een inventarisatie van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en één daarvan is het oude protestantse kerkje in Hapert. Vier jaar later verschijnt de vrucht van zijn arbeid, deel 10 van de Voorloopige Lijst der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst. Het kerkje staat erin. Vanaf dan is het een ‘voorloopig rijksmomument’, omschreven als “een driezijdig gesloten zaalkerk, met een torentje op het dak." Die monumentenstatus zal niet zonder gevolgen blijven.

Kipmulder
In het voorjaar van 1940 wendt kerkvoogd Hendrik Kipmulder zich tot het provinciaal kerkbestuur in Den Bosch met het verzoek om het oude kerkje te mogen afbreken. Er is sinds mensenheugenis geen dienst meer in gehouden en het verkeert in niet al te beste staat: het “staat zoo gezegd als een vervallen gebouw langs den provincialen weg, dat het voor protestanten eerder een aanstoot is dan dat het een aangenaam gebouw is.” Het dak lekt en het meubilair is vermolmd. In Hapert wonen nog maar vier protestantse gezinnen en het ziet er niet naar uit dat dat aantal ooit nog zal toenemen. Een eigen kerk is niet meer nodig. Men kan in Bladel naar de kerk. Of hij het kerkje niet mag “opruimen” en de grond verkopen. Het gaat natuurlijk maar om drieëneenhalve are, schrijft hij, maar wie weet dient zich een koper aan. De tijden zijn moeilijk en de kerkeraad kan het geld goed gebruiken.
Het kerkbestuur gaat akkoord, op voorwaarde dat de grond in protestantse handen blijft.
Maar de gemeente gaat niet akkoord. Artikel 85 van de gemeentelijke Bouwverordening stelt dat gebouwen met een zekere “kunstwaarde” of gebouwen waaraan “geschiedkundige herinneringen” kleven niet zonder meer gesloopt mogen worden en burgemeester Goossen vermoedt dat artikel 85 wel eens van toepassing zou kunnen zijn op het Hapertse kerkje. Het staat er tenslotte al 114 jaar. Eerst maar eens het advies ingewonnen van de provincie.
Bij de provincie zit Dr. W.J.A. Visser, behalve provinciaal monumentendeskundige ook gemeente-archivaris in Eindhoven en directeur van het pas opgerichte Van Abbe-Museum. Dr. Visser weet zo een-twee-drie ook niet hoe het zit met die kunstwaarde en geschiedkundige herinneringen. Op zijn beurt informeert hij bij jonkheer van Nispen tot Sevenaer, directeur van het bovengenoemde Rijksbureau. Van Nispen weet het… zo een-twee-drie ook niet. Hij zal er wel eens induiken. Vooruitlopend op zijn bevindingen laat hij wel alvast weten dat “op de Brabantsche dorpen niet roekeloos moet worden omgesprongen met de weinige overblijselen van meer dan honderd jaar.” Het weinige dat er is, dient zoveel mogelijk behouden te blijven.

Vervolgens blijft het een jaar lang stil. In Bladel wacht men op de gemeente, de gemeente wacht op de provincie en de provincie op jonkheer van Nispen. Kipmulder begint alvast maar met de sloop van het interieur: “Alleen hebben wij de zitplaatsen en de predikstoel afgebroken. Wat nog goed was hebben wij te Bladel in de kerk gebruikt.”
Dan, eind augustus 1941, komt er toch nog uitsluitsel: Monumentenzorg in Den Haag wenst het kerkje te behouden. Als de Hapertse hervormden er geen kerkdiensten meer in willen houden, dan moet er maar een andere bestemming voor worden gevonden. Een bouwkundige is onderweg om het te komen bekijken en te beschrijven ten behoeve van de Haagse administratie.
Aan deze bouwkundige - Van de Veken genaamd - danken we een gedetailleerde “opmeetingsteekening”, met commentaar. Als hij op 27 augustus 1941 in Hapert aankomt  (door allerlei misverstanden is hij noodgedwongen op de fiets gekomen, helemaal uit Eindhoven!), blijkt Kipmulders sloopwerk zich niet te hebben beperkt tot de stoelen en banken: ook de vloer is eruit. “In het dorpsbeeld staat het zeer aardig doch is niet onmisbaar”, is zijn conclusie.
Het Rijksbureau wil 700 gulden bijdragen aan de restauratie van het kerkje, op voorwaarde dat ook de Bladelse kerkeraad er geld in steekt. Als Dr. Visser daarover in Bladel eens komt praten, geven Kipmulder en de Bladelse dominee Koppert hem ondubbelzinnig te kennen niet van plan te zijn om ook maar een cent uit te geven aan het kerkje. De kerkeraad heeft eenvoudig het geld niet om het op te knappen.
De Maatschappij van Welstand - in protestantse kring een voor de hand liggende koper - wil wel de grond maar niet het kerkje, hetgeen vanwege het sloopverbod niet kan.
Zo blijft alles bij het oude.

Klokkebel
In 1946 is in Bladel een nieuwe dominee aangetreden, dominee Izaak de Tombe. Hoog op zijn prioriteitenlijst prijkt het vervallen kerkje in Hapert. Hij wil er zo snel mogelijk van af en hij heeft geluk: ineens zijn er gegadigden te over. Er is een anonieme protestant die duizend gulden heeft geboden. Uit Amsterdam heeft zich de Nederlandse Jeugdherberg Centrale gemeld, die in Brabant op zoek is naar geschikte gebouwen om haar jeugdherbergen in te huisvesten en wel iets ziet in de “oude kapel met tuin”. Nog veel aantrekkelijker is het aanbod van de overburen, de gebroeders Claassen van de sigarenfabriek. Zij stellen voor het kerkje te slopen en van het puin ter plekke een huis te bouwen. Alles op hun kosten. Dat huis zou vijftien jaar lang verhuurd moeten worden aan de meester-knecht op de fabriek en daarna gratis worden aangeboden aan de Hervormde Gemeente. Het voorstel is bijna te mooi om waar te zijn. Natuurlijk is er een probleem: het kerkje staat nog altijd op de momumentenlijst en mag niet worden gesloopt. En er is nog iets: de gebroeders Claassen zijn katholiek.
De Tombe wendt zich tot Mr. G.A.J. ter Linden, secretaris van de Bouw- en Restauratie Commissie van het landelijk kerkbestuur in Den Haag. Kan die, zo dicht bij het vuur, Van Nispen op het ministerie niet bewegen het kerkje als monument te schrappen? En zou hij en passant ook eens willen vragen of er niet ergens een “klokkebel” over is voor de kerk in Bladel, want hoor: “De katholieke kerk luidt hier op zijn best en de protestantsche zwijgt!”
Ter Linden wil zich niet mengen in de zaak. Hij is bouwkundige, geen kerkbestuurder. Het provinciaal kerkbestuur in Den Bosch moet maar beslissen. Hij stuurt het verzoek van De Tombe door aan dominee Wesseldijk. Die is niet tegen verkoop aan de gebroeders Claassen. Het zijn weliswaar katholieken maar ze willen het kerkje slopen en daarmee wordt in ieder geval voorkomen dat het in handen valt van de “R.K. kerk”, die, dat is algemeen bekend, geen moment zal aarzelen om er een “Maria-kapel” van te maken.
Als de Jeugdherbergcentrale zich terugtrekt (het kerkje is voor haar doeleinden te klein), legt de Tombe de kwestie voor aan de kerkeraad: gaat die akkoord met verkoop aan de gebroeders Claassen? Ouderling Karel van Heijst is mordicus tegen. Hij woont op dat moment al meer dan veertig jaar naast het kerkje en is er misschien aan gehecht geraakt. Ook Kipmulder wil niet verkopen aan katholieken. Het plan gaat van tafel.
Op doorreis hier in Brabant, neemt Mr. ter Linden kort daarna de gelegenheid te baat om het kerkje alsnog eens te bekijken en begrijpt niet waarom het onooglijke gebouwtje nou zo nodig een monument moet wezen. Zo bijzonder is het niet, “hoe aardig en eenvoudig het daar ook tusschen de bomen ligt.”
Dominee Monshouwer van de Hervormde Gemeente Hoogeloon-Eersel vat het plan op om de Hervormde Jeugdraad De Kempen erin te huisvesten. Hij is secretaris van de Jeugdraad en heeft becijferd dat met het luttele bedrag van... 2500 gulden van het kerkje een mooi hervormd jeugdhonk te maken valt. Allerwegen is er sympathie voor zijn plan maar daarbij blijft het.
Het wordt weer stil rond het kerkje.
Op 24 maart 1949 is de kerkeraad van de Hervormde Gemeente Bladel-Hapert in vergadering bijeen in de pastorie. Als het kerkje “en alle moeilijkheden daaraan verbonden” aan de orde komt, maken moedeloosheid en berusting zich meester van de broeders. Het heeft er alle schijn van, dat ze er nooit van af zullen komen.

Stoutigheid
Het verhaal gaat verder in 1951. Dominee de Tombe is opgevolgd door dominee Klamer. Net als zijn voorganger is hij vastbesloten zijn gemeente van het kerkje te verlossen. En weer zijn er gegadigden: een tandarts uit Hilvarenbeek wil er zijn praktijk in vestigen en vindt een koopsom van 2500 gulden “zeker een basis om over te onderhandelen”. Ook Louis van de Ven aan de overkant, rijwielhandelaar en garagehouder, is geinteresseerd. Klamer voorvoelt dat het moeilijk zal zijn het provinciaal kerkbestuur over te halen om in te stemmen met een verkoop aan katholieken. Hij vreest dat men er op zal aandringen om kerk en ondergrond te verkopen aan de Maatschappij van Welstand. Dus neemt hij zelf maar contact op met Welstand en laat daarbij niet na de heren daar erop te wijzen dat er een katholieke gegadigde is die bereid is om diep in de buidel te tasten.
Algemeen secretaris Scholten van Aschat van de Maatschappij van Welstand is niet onder de indruk. Welstand is alleen geinteresseerd als men het kerkje mag slopen en daarvoor moet het eerst van de monumentenlijst. Mr. ter Linden in Den Haag laat weten dat dat niet mee zal vallen: “Waar de kerkeraad van Bladel op spoed aandringt, moeten wij U echter berichten, dat de molens bij Monumentenzorg gemeenlijk langzaam malen. Het geven van een sloopvergunning wordt beslist door de Staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, op advies van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg. Er is dus alle kans, dat eerst de directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg persoonlijk wil gaan kijken en daarna misschien de hele Monumentenzorgcommissie ook nog.” Dat gaat maanden, zo niet jaren duren. Beter om het maar niet eens te proberen.
Een overname door Welstand is daarmee van de baan. Wel is men bereid Klamer met raad en daad bij te staan als hij het kerkje per se wil verkopen aan Louis van de Ven. Vastgoedtransacties met de roomsen hier in Brabant vergen de nodige tact: “Gaat de Kerkvoogdij zelf verkoopen dan krijgt U nooit den hoogsten prijs, daarvoor zijn de plaatselijke bindingen nu eenmaal, gelijk elders, te sterk.” Hij moet zich maar wenden tot de Eindhovense notaris Steensma. Die heeft ervaring met katholieken en weet hoe je zonder aanstoot te geven moet voorkomen dat op voormalige protestantse grond “een kapelletje of een kruisbeeld wordt gesticht of een andere paapsche stoutigheid wordt uitgehaald.”
Natuurlijk moet hij niet vergeten vooraf toestemming te vragen aan het eigen provinciaal kerkbestuur, dat ook nog eens gekend dient te worden in de “herbelegging van de opbrengst van de verkoop.”
Opnieuw wordt het stil rond het kerkje. Zoveel voetangels en klemmen ook; waarschijnlijk heeft dominee Klamer het maar opgegeven.

R.I.P. B44
5 februari 1954. Gemeenteraadsvergadering in het oude gemeentehuis in Hoogeloon. Burgemeester van Woensel is ter ore gekomen dat het oude protestantse kerkje te koop zou zijn en stelt voor om het aan te kopen. De gemeente zou er een geschikt bouwterrein aan over kunnen houden. Bovendien is het kerkje “een schandaal voor iedereen die er langs loopt.” De raad gaat akkoord maar het leidt allemaal opnieuw tot niets. Of het moet zijn dat Van Woensel de hand gehad heeft in wat volgt.
Tien dagen later namelijk valt in Hoogeloon een brief in de bus van de Firma L. van de Ven & Zn. Garage – Rijwielhandel en Reparatie-inrichting. Louis van de Ven en Zn. verzoeken beleefd “om vergunning tot het slopen van gebouw van Hervormde Gemeenschap te Hapert op grond van bouwverordening.” Deze keer heeft de gemeente geen bezwaar. De volgende dag al gaat het antwoord de deur uit. Slopen maar. Over de momumentenstatus van het kerkje wordt met geen woord gerept.
Een verkoopacte heb ik niet kunnen vinden. Dát het verkocht is, blijkt uit de jaarrekening van de Hervormde Gemeente Bladel-Hapert over 1954. Daar staat onder de inkomsten te lezen: “1500 gulden vanwege verkoop van het kerkje in Hapert en de grond daaronder.” Aan het provinciaal kerkbestuur meldt Kipmulder dat jaar, dat de Bladelse boeken weliswaar een batig slot vertonen van 2204 gulden en 86 cent, maar dat dit overschot slechts tot stand is kunnen komen omdat “wij de bouwvallige kerk te Hapert met grond kwijt zijn.”

Zo gaat het kerkje dan toch nog tegen de vlakte. In het archief van de gemeente Hoogeloon bevindt zich nog een slordig afgescheurd kladbokvelletje, waarop iemand in potlood de tekst heeft genoteerd die 128 jaar lang op de steen boven de deur heeft gestaan: “A. Meijer heeft den eersten steen aan dit gebouw gelegd Den 7 Junij 1826.” Daaronder het laatste huisnummer van het kerkje: B44.