donderdag 18 juli 2013

Zee van zorg en stof

In 1925 gaven de Fraters van Tilburg voor het eerst* de Rafaël-Jeugdcatalogus uit, een leiddraad voor ouders en leerkrachten bij de aanschaf van boeken voor hun kinderen en leerlingen, een opsomming van geschikte lectuur voor roomse jongens en meisjes, voorafgegaan door een beginselverklaring. De katholieke pers was opgetogen, de catalogus voorzag in een behoefte. Het dagblad Het Centrum achtte de lange inleiding van frater Rombouts belangrijk genoeg om er uitvoerig uit te citeren:

Wij willen voor onze frisse, levenslustige jongens en meisjes geen kwezelliteraluur, geen boeken die druipen van kwijlerige vroomheid geen helden en heldinnetjes met scheve nekken en extaties verdraaide ogen. In een Rooms jeugdboek hoeft niet om de drie regels een kruisje gemaakt te worden of om de vijf bladzijden een rozenhoedje gebeden. Nog minder wensen wij, dat er van het begin tot het einde gepreekt en gemoraliseerd wordt. Ook hier geldt: niets is zo uit den boze als „le genre ennuyeux." De Keurraad voor Roomse Jeugdlektuur en wij als redakteur van Ons Eigen Blad zullen er steeds scherp op blijven letten, dat overdreven vroomheid, valse godsvrucht, uiterlik vertoon van religiositeit, alle bigotterie, onechtheid en gekunsteldheid, voor zover het in ons vermogen ligt, uit onze jeugdboeken worden geweerd.
Maar wat wij wél wensen, is dit: door ieder katholiek kinderboek moet waaien een wind van katoliciteit. Dat wil niet zeggen, dat er geen andere dan Roomse personen in zo'n boek mogen voorkomen, laat staan dat allen gekanoniseerde of ongekanoniseerde heiligen zouden moeten zijn. Het betekent eenvoudig, dat de katolieke wereld- en levensbeschouwing er in tot uiting dient te komen, en dat zó, dat het door de jonge lezers voor wie de lektuur bestemd is, begrepen en doorvoeld wordt. De moraal die er in spreekt, moet zijn de katolieke moraal, niet de etiek van een Jules Palot of andere lekenapostelen; evenmin de protestantse, die op verschillende essentiële punten van de onze verschilt. Maar nog eens: die moraal mag er niet duimen dik zijn opgelegd en de godsdienstigheid mag er niet worden bijgeharkt. Alles moet zó zijn als een gezond en evenwichtig katoliek, die volgens zijn geloof leeft, vanzelfsprekend vindt.
Katoliek zijn betekent allereerst katoliek leven, en die idee is het juist die wij, opvoeders, ook door de lektuur die wij onze kinderen in handen geven, moeten doen doordringen in hun hart en in hun hoofd. Want dat is de grote kwaal van onze tijd, zelfs onder degenen die zich zelf nog tot een bepaald kerkgenootschap wensen gerekend te zien, dat men meent tussen geloof en leven een scheidingslijn te kunnen trekken: 's Zondags een ogenblikje uitrusten op het eilandje der godsdienstigheid van de wereldse beslommeringen der week en onmiddelik daarna weer onderduiken in de zee van zorg en stof, om zeven dagen lang niet weer boven te komen; even naar de kerk - het moet nu eenmaal - en dan adieu godsdienstigheid, want de vermaken wachten en morgen is het weer werkdag.
Er zijn ontwikkelde katolieken zelfs, die menen dat het zo hoort: dat het leven verdeeld moet worden tussen God en de wereld, en dat er een massa profane dingen zijn, die met godsdienst niets te maken hebben, 't ls een grove dwaling! In het leven van de Kristen mag niet alleen niets anti-godsdienstigs, maar ook niets a-godsdienstigs voorkomen, en strikt-profane dingen moesten voor de katoliek niet bestaan.
“Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt of iets anders doet, doet alles ter ere Gods." Dat is geen levensvreemde ascese of hoge mystiek, maar de plicht van ieder Kristen, ook van het Roomse kind. Iedere akt van ons leven, hij moge nog zo alledaags lijken, moet God als laatste doel hebben, iedere akt moet zijn een akt van Gods-dienst, anders is hij verdienst- en nutteloos voor de hemel en draagt dus niets bij tot het enige doel waarvoor God ons op de wereld plaatste.
Mocht deze simpele waarheid door alle Roomse opvoeders scherp worden ingezien! Dan zou het in niemands gedachten meer opkomen zich te verzetten, tegen de eis, dat alle lektuur die het kind binnenvoert in een louter naluurlike wereld en gedurende langere lijd daar doet vertoeven, moet worden afgewezen. Is er al niet genoeg dat ons, aardsgezinde mensen, omlaaghaalt en God doet vergeten? En geldt dat niet nog meer voor het vluchtige, op het uitelike ingestelde kind?"
Behalve zijn katholieke wind, is ook frater Rombouts' spelling a thing of the past: het was die van de Vereniging tot Vereenvoudiging van onze Schrijftaal, een controversiële vernieuwing, die hier en daar, door deze en gene nieuwlichter werd toegepast, door Emants** onder andere, als ik me goed herinner. En Frater Rombouts dus.
Geen idee wie Jules Palot was. Naar de context te oordelen een randkerkelijke lekenbroeder, die het vanuit de hiërarchie zwaar te verduren gehad zal hebben. Ons Eigen Blad was het huisblad van de fraters, van frater R. met name, in eerste instantie bestemd voor katholiek onderwijspersoneel; de Keurraad voor Roomsche Jeugdlektuur hun kort daarvoor opgerichte... keurraad.
Frater Rombouts, tenslotte, was wat je noemt een monnik met een missie, geboren in... Bergeijk. Van hem bestaat nog stemgeluid:
Frater Rombouts






* daarna jaarlijks tot 1960; meer daarover in a) Noot, Bram, Lezen met een roomse bril. Opvattingen over literatuuronderwijs in katholieke scholen 1868-1924 (Dissertatie Universiteit van Amsterdam 2010, Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland. Derde Reeks 40; Tilburg: Stichting Zuidelijk Historisch Contact, 2010) en b) Eijden-Andriessen, Cecile van, ‘Moralinezuur’ en voorlichting. De twee gezichten van Idel in het katholieke debat om de moderniteit 1937-1970 (Dissertatie Tilburg 2010, Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland. Derde reeks 41; Tilburg: Stichting Zuidelijk Historisch Contact, 2010).
** Marcellus

Geen opmerkingen:

Een reactie posten