woensdag 20 november 2013

Ellendige Dorpjens

Belandde daarnet pardoes in de digitale Hanewinckel. Meteen maar even de Hapert-check gedaan. Het is niet best:

Bladel verlaatende, wandelde ik eenige kleine en ellendige Dorpjens door, waar ik mij, wijl ik ‘er niet merkwaardigs aantrof, niet ophield, want deeze streek is de dorste en armste streek, ten minsten, zoo kwam het mij voor, van de geheele Majorij; eindelijk, na deeze aklige plaatsjens doorgewandeld te hebben (ik zal U derzelver naamen niet noemen, Gij zoudt ‘er toch niets aan hebben, kwam ik te Oorschot. Hier vertoonde zich een geheel ander tooneel.

Een jaar later (1800) in zijn Tweede Reize, wat meer:

Ik zal U nu niets van Bladel zeggen, als alleen dat ik mij hier reeds verscheiden dagen heb opgehouden, en van hier eenen grooten uitstap heb gedaan over Hapert, Hoogeloon, Kasteren, Vessem, Wintelre en Oosterbeers naar Oorschot. – Nu iets van deeze Dorpen.
Hapert ligt aan de Beerze, heeft een kleine Kerk en eenen Watermolen op evengemeld riviertjen; Hoogeloon heeft niets bijzonders voor eenen nieuwsgierigen Wandelaar; en te Kasteren ziet men eene vervallen Kerk, dit is alles, dan – de overlevering verhaalt van deeze drie Dorpjens het volgende: De eerste Romeinsche Keizer, Julius Caesar, zou, in de majorij zijnde, met zijne benden tot de eerstgemelde plaats doorgetrokken zijn, hier ontstond een oproer onder dezelve, dus begon het te haperen, en men noemde dit Dorp Hapert; hij moest, om zijn leger tot bedaaren te brengen, deszelfs soldij of loon verhoogen, intusschen was hij voordgerukt tot Hoogloon, het geen hiervan zijnen naam ontleend zou hebben; en eindelijk sloeg hij, alles weder bedaard zijnde, zijn leger te Kasteren, hetwelk dus naar het Latijnsche woord Castra, eene legerplaats heet, neder. – Wat zegt Gij van dit verhaal? – Is het niet meer aartig dan waarschijnlijk? Mijn Vriend! - - Het volgende mag ik niet vergeten, om hier bij te voegen: In het jaar 1798, verliet de Molenaar van Hoogloon den Roomschen Godsdienst, en ging over tot dien der Hervormden; denklijk deed hij deezen stap uit overtuiging en geenzints uit eigenbelang; want hij was een man, volgends het getuigenis der Roomschen zelf, op wiens gedrag niets te zeggen valt, hij was daarteboven zeer wel gegoed, en heeft alles, omdat hij zich in de Majorij nu niet veilig achte, verlaaten; hij leeft thands, zo ik wel onthouden heb, als Molenaars-knecht in Overijssel. – Hoe veel zou hier voor den Hervormden, indien zij zoo veel prijs stelden op het Proselieten-maaken als de Roomschen, te roemen vallen. Een braaf man verlaat alles, zijne moeder, broeders en zusters, met een woord: al wat hij bezit, en omhelst de Leer eener Kerk, welke thands geheel in onderdrukking zit. – Welk een hemelsbreed onderscheid tusschen deezen overgang en dien van den beruchten Frans Voorhout te Alkmaar! Zou de Pastoor P. Schouten wel zoo veel leven, en zoo veel water vuil gemaakt hebben, indien dit geval aan hem en anderen waereldkundig ware geweest? Neen zeker niet! – het verschil is te groot. - -
Vessem is ook geen schoon Dorp; men ziet ‘er slechts eene middenmaatige Kerk en eene hooge spits op deszelfs tooren. – Hier hebben de Roomschen thands de Kerk der Hervormden in bezit, doch deeze laatsten verrichten nu hunnen Godsdienst in de Kerk der eersten. Dit is, dunkt mij, nog al vrij broederlijk, en zeker moet zulk eene handelwijze meer uwe goedkeuring wegdraagen, dan die van andere Dorpen. –
Wintelre en Oosterbeers zijn niet veel bijzonders. - - Hier meende ik deezen brief te sluiten, doch het regenächtige weder verbied mij, om heden uit te gaan, ik zal dus maar voordschrijven; en derhalven nu iets zeggen van
Oorschot

Geen opmerkingen:

Een reactie posten