Posts tonen met het label kerk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kerk. Alle posts tonen

woensdag 2 april 2014

Bliksen

Hoogeloon, den 6 Juny 1873

Zyne Exelentie
Den Heere Commissaris des Konings in Noordbrabant

Op grond van het provinciaal bijblad van 1856 No 70 heb ik de eer Uwe Exelentie mede te deelen dat op woensdag 4 Juny des namiddags omstreeks 7 uuren een vrezelyk onweeder boven het dorp Hoogeloon heeft gewoed en dat gedurende die onweerbui de bliksem de tooren R C Kerk dezer gemeente heeft getroffen en daaraan een groot nadeel heeft toegebragt benevens veel schade aan den nieuwe geplaatse orgel en het ornementwerk van eene dezer
* binnen in de kerk toegebragt op f 600,-
Op donderdag den 5 Juny des namiddags omstreeks 6 uuren heerschte weeder een dergelijk onweeder boven het dorp Hoogeloon gepaart met hevigen stortreegen en aanhoudende bliksen slagen waarbij een paar huizen en een massa bomen te Hoogeloon zyn getroffen en waer by geen brand of andere ongelukken hebben plaatsgehad
De Burgemeester






* moet blijkens het krantenartikel zijn: deur




woensdag 25 december 2013

Ensemblewaarden

Ik hou het kort. Wil me niet verdiepen in Henri Schoonbrood. Hier is wat ik las. Het schokkende staat vet cursief.

EEN KERKSCHILDERING VAN HENRI SCHOONBROOD

Te Bladel in Noord-Brabant kwam kort geleden een omvangrijke kerkschildering gereed, waarvan wij verschillende foto’s in dit nummer reproduceeren. Het werk is van den Limburgschen kunstenaar Henri Schoonbrood, op wiens arbeid wij naar aanleiding van onderscheiden tentoonstellingen reeds eerder de aandacht vestigden.
Schoonbrood werd in 1898 te Maastricht geboren en behoort dus tot de generatie welke aan den herbloei eener eigen Limburgsche kunst werkt en dezen herbloei ten andere ook ondergaat. Als jongen was Schoonbrood in het „schildersvak" waaruit ook Jonas stamde werkzaam. Om zijn natuurlijken aanleg te volmaken, gaat hij op twee-en-twintig-jarigen leeftijd les nemen op het stadsteekeninstituut, waaraan Henri Jonas als leeraar verbonden is. Zeven jaar achtereen volgt hij de lessen van deze karakteristieke kunstenaarspersoonlijkheid en ondergaat zeer sterk haar invloed. In 1931 vertrekt hij met zijn gezin naar Amsterdam om, drie-en-dertig jaar oud, te worden ingeschreven als leerling van de Rijksacademie en wel van de z.g. monumentale klasse onder leiding van professor Roland Holst. Hier werkt hij gedurende drie jaar, in welke periode hij tevens verschillende opdrachten uitvoert. In ‘34 gaat hij naar zijn geliefd Maastricht terug en vindt in het Zuiden een uitgebreid werkterrein.
Tot heden kenden wij hem vooral — zij het niet uitsluitend — als glazenier. Zoo vervaardigde hij ramen voor het bekende kerkje in de Huskenskolonie, voor de kerk in Margraten, voor de kapel in de vroedvrouwenschool te Heerlen, voor het klooster der zusters Franciscanessen te Heythuizen, voor de Theresiakerk te Maastricht, etc. Als glazenier vond hij reeds herhaaldelijk waardeering. Zoo werd door Oldenburg Ermke in Het Gildenboek (Sept. ‘35) een uitvoerig artikel aan zijn ramen (en tevens aan zijn overige werkstukken) gewijd.
Wij willen hier onmiddellijk aan toevoegen, dat wij gewoon zijn, ons kritischer in te stellen dan de schrijver van genoemd artikel in het onderhavige geval deed. Wie het bedoelde artikel las, krijgt onontkomelijk den indruk, hier te staan voor een in ieder opzicht rijp en harmonisch talent dat reeds tot zijn volste en rijkste ontplooiing kwam. Dit nu is naar mijn overtuiging zeker niet het geval, het betrekkelijk laat tot ontwikkeling en scholing gekomen talent van Schoonbrood zoekt nog steeds naar zijn zuiverste realisatie. Schoonbrood worstelt nog voortdurend met tal van problemen. Men ziet dit aan zijn ramen (die ik overigens zéér waardeer), men ziet dit vooral aan de hier gereproduceerde kerkschildering.
Laat ons beginnen te zeggen, dat Schoonbrood het met deze eerste groote opdracht op dit gebied, niet bijster getroffen heeft. Het kerkje waarin de schildering moest worden aangebracht, mist iedere architektonische waarde en zoo vond de schilder dus geen steun bij de architektuur zelf. Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat tusschen schildering en architektuur niet die eenheid tot stand kwam, welke voor een bevredigend resultaat vereischt wordt; het kon in de gegeven omstandigheden moeilijk anders, al durven wij niettemin veronderstellen, dat ondanks de vele ongunstige factoren, een meer gebonden geheel mogelijk ware geweest.
Het werk doet denken aan de wijze waarop in de barok- en rococo-kerkjes in Beieren en elders de schilderingen zijn toegepast. Men vindt daar gewoonlijk een aantal beschilderde vlakken binnen een ornamentale omlijsting van stucwerk. Inplaats van het stucwerk — waardoor de schilderingen althans eenigermate in de architektonische compositie worden opgenomen vindt men hier een geschilderd ornament dat het tafereel omlijst en het een zeker isolement verleent. Men ziet dit het duidelijkste aan de kleine tafereelen tegen het gewelf van de zijbeuken; deze schilderingen doen aan als in lijsten gevatte schilderijen. Dat zoo’n oplossing — zoo men het een oplossing mag noemen — niet in de lijn ligt van de door Roland Holst voorgestane principes inzake monumentale kunst, behoeft wel geen betoog. Het is trouwens opmerkelijk, dat wij in dit werk van Schoonbrood zoo weinig van den leermeester aan de Rijksacademie, nóch ook van z’n Maastrichtschen leermeester Henri Jonas terugvinden, veeleer openbaren zich hier invloeden van Eyck en Joep Nicolas.
Dat de stijl en de werkwijze, de opvatting en de vormenspraak tijdens de uitvoering van dit werk zich zienderoogen wijzigden, bemerkt men bij den eersten aanblik. Alleen daaruit blijkt al voldoende, hoe voorbarig het was om in 1935 vast te stellen dat Schoonbrood zijn „tot de volheid van zijn kunnen gerijpte, belangrijke persoonlijkheid" reeds zou hebben gerealiseerd. Integendeel acht ik de nog onverwerkelijkte mogelijkheden, welke in dit werk schuilen, het meest belangrijk. Zonder moeite ontdekt men, dat de schilder zijn arbeid aanving in het priesterkoor en beëindigde met de uitbeelding der acht zaligheden tegen het gewelf; zonder moeite ook kan men constateeren, hoe het werk, naar mate het vordert, in kwaliteit stijgt. De schildering in het priesterkoor is overwegend illustratief en ademt een realistische sfeer; hoewel dat realisme in de uitbeelding van onderdeden weer is losgelaten, zoo bijvoorbeeld in de nog al willekeurig uit het weiland opschietende bloemen en in den ietwat decoratieven wingerdtak. Hetzelfde geldt ten opzichte van het perspectief; het is niet duidelijk of Schoonbrood al dan niet een werkelijkheidsillusie wil oproepen, of hij de figuren in een verbeelde diepte, dan wel tegen het vlak van den muur wil doen uitkomen. Opmerkelijk is bijvoorbeeld, dat geen der toch zeer reëel geschilderde personen ons het gevoel geeft te „staan", veeleer blijven zij iets zwevends behouden, hetgeen binnen het raam van deze schildering tweeslachtig aandoet. Ook de compositie is niet overtuigend, terwijl de kleur mij evenmin voldoet. Het schijnt dat Schoonbrood eerst na het beëindigen van dit tafereel z’n eigenlijke visie vond. De schilderingen tegen het gewelf zijn direct zekerder en vrijer gedaan, zij spreken van een opvatting die binnen ieder tafereel goed volgehouden is, de compositie is meer gebonden en tevens zwieriger, het geheel overtuigt in veel sterker mate.
Daar zijn op het middelste deel van het kerkgewelf: de uitbeeldingen van den doop van Christus, de verheerlijking op den Thabor, de opstanding uit het graf en de hemelvaart, ieder dezer tafereelen geflankeerd door de figuur van een profeet. Hetgeen ons hier onmiddellijk treft, is de dramatische bewogenheid der uitbeelding; men vindt haar zoowel in de gebarende, groot gehouden profetenfiguren als in de compositie der groepen. Dit werk bezit een stoerheid welke de koorschildering mist. Als reeds gezegd, voel ik bezwaar tegen de zware, ornamentale omlijsting der tafereelen, wat minder nadrukkelijkheid ware mij liever geweest.
Het meest geslaagd acht ik de uitbeelding der acht zaligheden, met name de laatst gereed gekomen tafereelen. De dramatiek van het bewogen verhaal, dat bij de zooeven geschetste tafereelen inzet, zet zich hier voort, doch de verhaaltrant, als ik het zoo noemen mag, wordt gemakkelijker, vloeiender, met soepeler overgangen en verbindingen. Men gevoelt in de compositie van deze tooneeltjes, in de speelsche groepeering van afdakjes, poortjes, muurtjes, boompartijen en bordes, iets van den vlotten verteltrant die Joep Nicolas eigen is, maar er blijft met dat al een ernst in en een diepte welke Nicolas wel eens mist. Deze tooneelen geven een goed voorbeeld van het warme, milde levensgevoel der Limburgers en van de hoofsche vormelijkheid hunner cultuur. „Hoezeer ook geïnspireerd op het instinctieve", zoo schreef ik naar aanleiding der Haagsche tentoonstelling van Limburgsche kunst, „en daaruit rechtstreeks opwellend, vindt het sensueele in de Limburgsche kunst haar realisatie bij voorkeur in een gecultiveerden vorm. Het komt mij dan ook voor, dat men moeilijk een meer treffende karakteriseering van de Limburgsche beeldende kunst kan geven dan met die eene zinsnede uit het boek dat Dr. Th. Schlichting schreef over Thomas More, die zinsnede namelijk, waarin hij spreekt over ,,de eigenlijke kern der Christelijke beschaving, voorzoover die bestaat in de vereeniging van Godsvrucht en wereldlijke cultuur."
Het is deze verbinding tusschen godsvrucht en wereldlijke cultuur, welke wij ook in deze schilderingen van Schoonbrood aantreffen. Hoe hoofsch wordt op dat tafereel ,,de naakten kleeden" de mantel geheven, die den arme dekken zal. Is het niet of men een koning kleeden gaat? Hoe hoofsch ook is het gebaar waarmede de kasteelheer de vreemdelingen ontvangt en binnenleidt in zijn woning. Deze charme, deze hoffelijkheid van levenshouding, is den Limburger aangeboren, zij wortelt in zijn oude cultuur, zij vindt haar basis in het respect voor den mensch, een der pijlers der christelijke beschaving.
In deze tooneeltjes vinden wij ook die trouw en goedheid, waarin de eerlijke kunstenaar en eenvoudige mensch, die Schoonbrood is, zichzelf belijdt. Eveneens vinden wij hier den invloed van Jonas terug, vooral in dat uitstekende tooneeltje „dooden begraven", met dat berustende leed in de koppen, met die stilte van het kleine kerkhof, met de eenvoudige schoonheid der simpele dingen. Wij bedoelen met het verwijzen naar dien invloed niet, dat Schoonbrood hier minder zichzelf zou zijn, doch dat juist in zijn beste oogenblikken de verwantschap met zijn ouden leermeester zich openbaart. In de kleur der verschillende vlakken heeft Schoonbrood gezocht naar een langzaam toenemend verschil in toonwaarde, gerekend over de geheele gewelfschildering. Deze opzet is goed geslaagd, alleen de kleur der banden contrasteert iets te sterk en breekt daardoor de geleidelijke toonovergangen.
Bezinnen wij ons nog eens over het totale resultaat, dan dienen wij te zeggen, dat hier nog geen geheel afgewogen en harmonisch geheel verkregen werd. Er zijn hier problemen van compositie en vlakvulling, van visie en vormgeving, die nog niet geheel tot klaarheid zijn gebracht. Niettemin valt in deze schildering zeer veel oprecht te waardeeren, vooral in de afzonderlijke tooneeltjes der zaligsprekingen. Deze kerkschildering bezit het karakter van het volksche verhaal en sluit daarmede aan bij goede oude tradities. Nergens ontdekt men hier het spoor van den terzij van het volk staanden „artist". De Limburger en het Brabantsche volk hebben elkander hier uitstekend begrepen, hetgeen ons ook bleek uit de waardeering van de parochianen voor dit werk.
Henri Schoonbrood is in en door dit werk gegroeid; moge hij nog dikwijls de kans krijgen, al werkende zijn kunnen te verdiepen en te verbreeden.
JAN BEERENDS*

Over Jan Beerends bestaat een boek (Hans Beerends, Valkhof Pers). Gelul natuurlijk wat deze man beweert over de kerk. Hoor maar wat er over geschreven staat in 's Rijks Erfgoedkaart:

De kerk is van algemeen belang. Het gebouw heeft cultuurhistorisch belang als bijzondere uitdrukking van de ontwikkeling van het katholicisme in het zuiden en is tevens van belang als voorbeeld van de typologische ontwikkeling van de volkskerk in het interbellum mede vanwege die drie torens. Het
gebouw heeft architectuurhistorisch belang door de stijl en de detaillering, die een betrekkelijk zeldzame vorm van eclecticisme vormen en is van kunsthistorisch belang door de interieuronderdelen.
Het gebouw is tevens van belang als voorbeeld van het oeuvre van de architect Van Groenendael.
Het heeft ensemblewaarden vanwege de situering, verbonden met de ontwikkeling van Bladel. Het is gaaf bewaard gebleven.

Dat van die ensemblewaarden moet ik es navragen.** Verder basta.


Uit: R.K. Bouwblad, veertiendaagsch tijdschrift voor bouw- en sierkunst. Officieel orgaan der Algemeene Katholieke Kunstenaarsvereeniging, jrg. 9 (1938), nummer 22, p. 343-347.
** zal wel met de extra-nucleaire ligging van de kerk te maken hebben


zaterdag 1 juni 2013

Hoedje Wip

In 1888 schreef Jacques Panken, gemeentescretaris van Duizel en Steensel, het volgende in het net*:

Aanteekeningen omtrent het ontnemen .. teruggeven, het instorten, enz. der R.K. Kerk te Duizel, alsmede omtrent de R.K. schuur- of noodkerk, enz. te Duizel.
Opgemaakt – en uit zeer geloofwaardige bronnen geput – door H.J. Panken secretaris van Duizel, c.a., den 16 April 1888, ten dienste van het gemeentearchief.
De R.K. Kerk te Duizel (die thans wederom bij de R.K. van Duizel in gebruik is) werd in 1648 aan de R.K. van Duizel ontnomen en kwam alstoen in handen der Protestanten.
De R.K. ingezetenen van Duizel gebruikten daarna eene nood- of schuurkerk; (het perceel waarop deze noodkerk was gebouwd, is thans kadastraal bekend als weiland, sectie A. n: 251, hoort toe aan Hobbelen en Cors: Dielis, met Bogaars Hubertus en wordt in de wandeling “Hobbelendries” genoemd.
De R.K. Kerk die zooals boven is gemeld aan de R.K. van Duizel in 1648 was ontnomen werd hen in ’t laast der 17e eeuw teruggegeven en omtrent ’t jaar 1798 door hen wederom in gebruik genomen.
Ongeveer 2 jaren na die ingebruikneming en wel ter oorzake van den hevigen storm die den 9 November 1800 woedde is de kap der R.K. Kerk te Duizel (welke kerk ook hedendaags bij de R.K. van Duizel in gebruik is) des namiddags omtrent 4 uren van genoemden dag ingestort.
Door den Zeer Eerw: Heer Guillelmus Cools Pastoor der R.K. Parochie Duizel werd in den namiddag van den 9 November 1800, in bovengenoemde ingestorte kerk, aan de Duizelsche kinderen onderricht gegeven in de Christelijke leering of den Catechismus, zooals op iedere Zondag gebruikelijk was.
De Eerw: Heer Pastoor voornoemd werd bevreesd dat de kerk niet bestand zoude blijven tegen den steeds in hevigheid toenemenden storm, daarom staakte Hij het onderricht, liet de kinderen naar huis gaan en zorgde dat Zijne Parochianen zooveel mogelijk, in kennis werden gesteld dat er in den namiddag van dien dag geen Lof zoude zijn. Om alle gevaar te voorkomen liet Zijn Eerw daarenboven de kerkdeur sluiten.
Dat door deze doeltreffende maatregelen mogelijk grootere onheilen zijn voorkomen blijkt hieruit: dat om ongeveer 4 uren des namiddags van dien dag de geheele kap der kerk instortte, terwijl er geen enkele ingezetene in de kerk was.
De noodkerk (tot welker slooping nog niet was overgegaan) bood weerstand aan dien hevigen storm van den 9 November 1800, zoodat dezelve terstond na het instorten der kerk bovenbedoeld, wederom door de R.K. van Duizel werd in gebruik genomen.
Uithoofde der noodzakelijke en groote aan te brengen herstellingen door het instorten der kap veroorzaakt en uithoofde van gebrek aan middelen om die herstellingen te bekostigen, konde de ingestorte kerk eerst in ’t jaar 1822 andermaal in gebruik genomen worden, waarna dezelve tot op heden steeds bij de R.K. van Duizel is in gebruik kunnen behouden worden.
De hulp- of noodkerk, meergenoemd, is in ’t jaar 1822 afgebroken en geheel gesloopt.
De bekendmakingen (publicatiën) van wege de burgerlijke gemeente Duizel werden ten tijde dat de nood- of hulpkerk voor de Godsdienstoefeningen gebruikt werd, steeds afgekondigd op het gemeenteplein gelegen in de onmiddelijke nabijheid dier nood- of hulpkerk, welk gemeenteplein thans grootendeels (door middel van een kleine greppel) omsloot is, een driehoekige vorm heeft en in ’t jaar 1880 van wege de burgerlijke gemeente is beplant met eikenheesters, welke heesters thans weelderig beginnen te groeien.
Ten slotte verdient nog vermelding dat sedert het jaar 1648 (zijnde ’t jaar waarin de R.K. kerk in handen der Protestanten overging en aan de R. Katholieken van Duizel werd ontnomen) nimmer meer dan één Protestantsch gezin in Duizel vaste woonplaats had, en wel geen buiten dat van den Dorpsonderwijzer of schoolmeester, welke Onderwijzer destijds rechtstreeks van Rijkswege werd aangesteld.

Hoewel verantwoordelijk voor en misschien ook wel de eigenlijke beheerder van het publieke archief, denk ik niet dat hij put uit papieren bronnen. In plaats van ze te kwalificeren als 'zeer geloofwaardig', zou hij ze in dat geval gewoon vermeld hebben.
Iemand die het weten kan, vertelde mij onlangs, dat op 9 november 1800 ook in Son en Breugel het hoedje van de toren waaide. Mijn kop eraf, als ook het Duizelse verhaal niet afkomstig is van iemand die het weten kon.**







* RHCe, toegang A-0260, invnr. 1115. Op ruitjespapier. Voor het nageslacht. Ik geef het maar door.
** Ik ben zo vrij om dat in de kleine letters maar weer terug te nemen. Het kan ook gewoon door pastoor Cools zijn opgetekend in het liber memorialis. Dat bestaat: er zijn waarschijnlijk minimaal twee parochiale gedenkboeken op gebaseerd en Jeroen van de Ven van het Meertens-instituut heeft het ingezien gehad.

donderdag 14 maart 2013

Benoodigde kosten

Van de week door nicht Pleun geattendeerd op een artikel in Uitstraling over het protestantse kerkje in Bladel.* Te lezen valt:
Het kerkgebouw is in ongeveer 1820 gebouwd. In die tijd, net na de Franse Revolutie, werden katholieke kerken die door de protestantse overheid aan de protestanten waren gegeven, weer terug aan de katholieken gegeven. Voor de protestantse gemeenschap (die in deze regio in de minderheid was) werden er nieuwe kerkjes gebouwd. De uitvoering van het bouwen van deze kerken was in handen van Rijkswaterstaat en daarom worden de kerken ook wel ‘Waterstaatkerken’ genoemd.
Een dergelijk verklaring van het begrip waterstaatkerk heb ik vaker gehoord: er zou een ministeriële blauwdruk hebben bestaan voor het bouwen van de nieuwe kerkjes en rijksambtenaren zouden ten onzent de bouw ervan ter hand hebben genomen. Ik denk, ik kijk eens wat daarvan klopt.

Een vlugge blik op de literatuur leert dat wie begin negentiende eeuw een kerk wilde bouwen, zich moest melden bij de koning, ten laatste per 16 augustus 1824 en waarschijnlijk daarvoor ook al, al hadden de aspirant-bouwers, de kerkbesturen, dat misschien niet zo door, blijkens de aanmerking van het Koninklijk Besluit in kwestie:
In aanmerking nemende, dat eenige kerkbesturen geheel hebben uit het oog verloren, dat zij slechts zijn de beheerders der kerkgoederen, en dat hunne daden zich niet verder dan tot die van een eenvoudig beheer kunnen uitstrekken
Hier maar even het hele besluit (lang is het niet, de rapporten heb ik niet):
BESLUIT van den 16den augustus 1824, houdende, dat de kerkbesturen en kerkelijke administratien geene beschikkingen kunnen nemen omtrent onderwerpen, waarvan de bezorging hun niet uitdrukkelijk bij de bestaande wetten of verordeningen is opgedragen.

Wij WILLEM, BIJ DE GRATIE GODS, KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ., ENZ.

In aanmerking nemende, dat eenige kerkbesturen geheel hebben uit het oog verloren, dat zij slechts zijn de beheerders der kerkgoederen, en dat hunne daden zich niet verder dan tot die van een eenvoudig beheer kunnen uitstrekken;


Op de voordragten van den Directeur-Generaal voor de zaken van den Roomsch-Katholijken eeredienst, van den 30sten januarij en den 9den maart dezes jaars, nos. 3 en 17;

Gezien het rapport van Onzen staatsraad, directeur-generaal voor de zaken der hervormde kerk enz. van den 28sten februarij ll., no. 9;

Gezien het rapport van Onzen minister voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de Koloniën, van den 24sten maart ll.

Gelet op het rapport van Onzen Minister van Justitie, van den 13den april ll., no. 57;

Den Raad van State gehoord;

Hebben besloten en besluiten:

Art. 1. Alle kerkbesturen en kerkelijke administratien zullen zich zorgvuldiglijk wachten, van eenige bestellingen of beschikkingen te maken, omtrent onderwerpen, waarvan de bezorging hun niet uitdrukkelijk, bij de bestaande wetten, reglementen, orders of instructien, is opgedragen.

2. Zonder daartoe alvorens Onze toestemming te hebben verkregen, zal het niet geoorloofd zijn, om nieuwe kerken of gebouwen, tot de oefening van den openbaren eeredienst bestemd, te stichten of op te bouwen, nochte om de reeds bestaande te herbouwen of aan dezelve eene veranderde inrigting te geven; maar zullen de kerkbesturen zich enkel moeten bepalen tot de werken van noodzakelijk onderhoud, die de instandhouding der gebouwen mogt vorderen.

3. Bij de aanvragen om Onze toestemming tot de stichting, den opbouw, den herbouw of het veranderen der inrigting, mitsgaders tot het doen ten uitvoer brengen van andere werken, dan die van het noodzakelijk onderhoud der kerken en gebouwen tot oefening van den openbaren eeredienst bestemd, zal moeten gevoegd worden eene opgave van de daartoe vereischte kosten, en van de middelen, welke voorhanden zijn om die kosten te kunnen bestrijden.

4. Zonder daartoe alvorens Onze toestemming te hebben verkregen, zal het niet geoorloofd zijn om eenige nieuwe kerkelijke gemeenten op te rigten of in te stellen.
Bij de aanvragen om Onze toestemming, zal moeten gevoegd zijn eene opgave der benoodigde kosten en der fondsen, waaruit die zullen worden bestreden.

5. Even min zal het geoorloofd zijn, om, zonder daartoe Onze toestemming of de toestemming der openbare magten, die Wij zullen goedvinden daartoe aan te wijzen, te hebben verkregen, uit de kerken weg te breken, te vervoeren of te vervreemden, ofte om zich eenige andere beschikking te veroorloven met opzigt tot de in de kerken geplaatste voorwerpen van kunst of geschiedkundige gedenkstukken, van welken aard die ook zouden mogen zijn, voor zoo verre zij niet toebehooren aan bijzondere genootschappen of bijzondere personen.

Onze Ministers van Justitie, en van Binnenlandsche Zaken, Onderwijs en Waterstaat, mitsgaders de Directeurs-Generaal voor de Zaken van den Roomsch Katholijken, en van den Hervormden Eeredienst, zijn belast met de uitvoering van het tegenwoordig besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst.


Gegeven te ’s Gravenhage, den 16den augustus des jaars, en van Onze regering het elfde.
Niks inzake stichting of herbouw van kerken alvorens Toestemming, welke te bekomen enkel met opgave van kosten en beschikbare middelen. Van het meesturen van ontwerpen of tekeningen of het herwaarts sturen van kerk-kundigen wordt niet gerept, noch van een akkoord van Waterstaat, al zou dat allemaal best wel kunnen natuurlijk. Het lijkt me zelfs zeer waarschijnlijk als je ziet hoe zeer onze hervormde kerkjes hier op elkaar lijken. Zelfs dat van Hoogeloon is niet anders, met de pastorie er nota bene aan vast.

Het kerkje van Bladel is precies gebouwd in 1820 en heel erg strikt genomen dus een pre-waterstaatkerkje. Dat van Hapert was er wel een: eerste steen gelegd in 1826, de laatste verwijderd in het voorjaar van 1954.

* Paul van der Waerden: Protestants kerkje Bladel: een verborgen parel. In: Uitstraling, editie Bladel, jaargang 2013, week 10.

donderdag 1 maart 2012

Haperts kerkje

 “... hoe aardig en eenvoudig het daar ook tusschen de bomen ligt”
De laatste jaren van het  protestantse kerkje in Hapert

Aan de Oude Provinciale Weg in Hapert, tussen de al lang verdwenen boerderij van Van Heijst (later Verhoeven) en de tegenwoordige Poort van Brabant, heeft tot kort na de oorlog een protestants kerkje gestaan. Het lag wat verscholen tussen de bomen en het torentje reikte niet zo heel erg hoog, vandaar dat het niet zo in het oog liep. De laatste decennia van zijn bestaan was het ook niet zo’n lust vóór het oog: het werd al lang niet meer gebruikt (voor het laatst in 1914, toen er een dienst werd gehouden voor de gemobiliseerde en hier gestationneerde militairen) en door de eigenaar, de Hervormde Gemeente Bladel-Hapert, werd het ook niet meer onderhouden. Het takelde zienderogen af.
In 1939 besloot de kerkeraad om het maar te slopen en de grond van de hand te doen.
Dat bleek makkelijker gezegd dan gedaan.

Monument
In de zomer van 1927 maakt een medewerker van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg een rondgang door de Kempen. Hij is bezig met een inventarisatie van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en één daarvan is het oude protestantse kerkje in Hapert. Vier jaar later verschijnt de vrucht van zijn arbeid, deel 10 van de Voorloopige Lijst der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst. Het kerkje staat erin. Vanaf dan is het een ‘voorloopig rijksmomument’, omschreven als “een driezijdig gesloten zaalkerk, met een torentje op het dak." Die monumentenstatus zal niet zonder gevolgen blijven.

Kipmulder
In het voorjaar van 1940 wendt kerkvoogd Hendrik Kipmulder zich tot het provinciaal kerkbestuur in Den Bosch met het verzoek om het oude kerkje te mogen afbreken. Er is sinds mensenheugenis geen dienst meer in gehouden en het verkeert in niet al te beste staat: het “staat zoo gezegd als een vervallen gebouw langs den provincialen weg, dat het voor protestanten eerder een aanstoot is dan dat het een aangenaam gebouw is.” Het dak lekt en het meubilair is vermolmd. In Hapert wonen nog maar vier protestantse gezinnen en het ziet er niet naar uit dat dat aantal ooit nog zal toenemen. Een eigen kerk is niet meer nodig. Men kan in Bladel naar de kerk. Of hij het kerkje niet mag “opruimen” en de grond verkopen. Het gaat natuurlijk maar om drieëneenhalve are, schrijft hij, maar wie weet dient zich een koper aan. De tijden zijn moeilijk en de kerkeraad kan het geld goed gebruiken.
Het kerkbestuur gaat akkoord, op voorwaarde dat de grond in protestantse handen blijft.
Maar de gemeente gaat niet akkoord. Artikel 85 van de gemeentelijke Bouwverordening stelt dat gebouwen met een zekere “kunstwaarde” of gebouwen waaraan “geschiedkundige herinneringen” kleven niet zonder meer gesloopt mogen worden en burgemeester Goossen vermoedt dat artikel 85 wel eens van toepassing zou kunnen zijn op het Hapertse kerkje. Het staat er tenslotte al 114 jaar. Eerst maar eens het advies ingewonnen van de provincie.
Bij de provincie zit Dr. W.J.A. Visser, behalve provinciaal monumentendeskundige ook gemeente-archivaris in Eindhoven en directeur van het pas opgerichte Van Abbe-Museum. Dr. Visser weet zo een-twee-drie ook niet hoe het zit met die kunstwaarde en geschiedkundige herinneringen. Op zijn beurt informeert hij bij jonkheer van Nispen tot Sevenaer, directeur van het bovengenoemde Rijksbureau. Van Nispen weet het… zo een-twee-drie ook niet. Hij zal er wel eens induiken. Vooruitlopend op zijn bevindingen laat hij wel alvast weten dat “op de Brabantsche dorpen niet roekeloos moet worden omgesprongen met de weinige overblijselen van meer dan honderd jaar.” Het weinige dat er is, dient zoveel mogelijk behouden te blijven.

Vervolgens blijft het een jaar lang stil. In Bladel wacht men op de gemeente, de gemeente wacht op de provincie en de provincie op jonkheer van Nispen. Kipmulder begint alvast maar met de sloop van het interieur: “Alleen hebben wij de zitplaatsen en de predikstoel afgebroken. Wat nog goed was hebben wij te Bladel in de kerk gebruikt.”
Dan, eind augustus 1941, komt er toch nog uitsluitsel: Monumentenzorg in Den Haag wenst het kerkje te behouden. Als de Hapertse hervormden er geen kerkdiensten meer in willen houden, dan moet er maar een andere bestemming voor worden gevonden. Een bouwkundige is onderweg om het te komen bekijken en te beschrijven ten behoeve van de Haagse administratie.
Aan deze bouwkundige - Van de Veken genaamd - danken we een gedetailleerde “opmeetingsteekening”, met commentaar. Als hij op 27 augustus 1941 in Hapert aankomt  (door allerlei misverstanden is hij noodgedwongen op de fiets gekomen, helemaal uit Eindhoven!), blijkt Kipmulders sloopwerk zich niet te hebben beperkt tot de stoelen en banken: ook de vloer is eruit. “In het dorpsbeeld staat het zeer aardig doch is niet onmisbaar”, is zijn conclusie.
Het Rijksbureau wil 700 gulden bijdragen aan de restauratie van het kerkje, op voorwaarde dat ook de Bladelse kerkeraad er geld in steekt. Als Dr. Visser daarover in Bladel eens komt praten, geven Kipmulder en de Bladelse dominee Koppert hem ondubbelzinnig te kennen niet van plan te zijn om ook maar een cent uit te geven aan het kerkje. De kerkeraad heeft eenvoudig het geld niet om het op te knappen.
De Maatschappij van Welstand - in protestantse kring een voor de hand liggende koper - wil wel de grond maar niet het kerkje, hetgeen vanwege het sloopverbod niet kan.
Zo blijft alles bij het oude.

Klokkebel
In 1946 is in Bladel een nieuwe dominee aangetreden, dominee Izaak de Tombe. Hoog op zijn prioriteitenlijst prijkt het vervallen kerkje in Hapert. Hij wil er zo snel mogelijk van af en hij heeft geluk: ineens zijn er gegadigden te over. Er is een anonieme protestant die duizend gulden heeft geboden. Uit Amsterdam heeft zich de Nederlandse Jeugdherberg Centrale gemeld, die in Brabant op zoek is naar geschikte gebouwen om haar jeugdherbergen in te huisvesten en wel iets ziet in de “oude kapel met tuin”. Nog veel aantrekkelijker is het aanbod van de overburen, de gebroeders Claassen van de sigarenfabriek. Zij stellen voor het kerkje te slopen en van het puin ter plekke een huis te bouwen. Alles op hun kosten. Dat huis zou vijftien jaar lang verhuurd moeten worden aan de meester-knecht op de fabriek en daarna gratis worden aangeboden aan de Hervormde Gemeente. Het voorstel is bijna te mooi om waar te zijn. Natuurlijk is er een probleem: het kerkje staat nog altijd op de momumentenlijst en mag niet worden gesloopt. En er is nog iets: de gebroeders Claassen zijn katholiek.
De Tombe wendt zich tot Mr. G.A.J. ter Linden, secretaris van de Bouw- en Restauratie Commissie van het landelijk kerkbestuur in Den Haag. Kan die, zo dicht bij het vuur, Van Nispen op het ministerie niet bewegen het kerkje als monument te schrappen? En zou hij en passant ook eens willen vragen of er niet ergens een “klokkebel” over is voor de kerk in Bladel, want hoor: “De katholieke kerk luidt hier op zijn best en de protestantsche zwijgt!”
Ter Linden wil zich niet mengen in de zaak. Hij is bouwkundige, geen kerkbestuurder. Het provinciaal kerkbestuur in Den Bosch moet maar beslissen. Hij stuurt het verzoek van De Tombe door aan dominee Wesseldijk. Die is niet tegen verkoop aan de gebroeders Claassen. Het zijn weliswaar katholieken maar ze willen het kerkje slopen en daarmee wordt in ieder geval voorkomen dat het in handen valt van de “R.K. kerk”, die, dat is algemeen bekend, geen moment zal aarzelen om er een “Maria-kapel” van te maken.
Als de Jeugdherbergcentrale zich terugtrekt (het kerkje is voor haar doeleinden te klein), legt de Tombe de kwestie voor aan de kerkeraad: gaat die akkoord met verkoop aan de gebroeders Claassen? Ouderling Karel van Heijst is mordicus tegen. Hij woont op dat moment al meer dan veertig jaar naast het kerkje en is er misschien aan gehecht geraakt. Ook Kipmulder wil niet verkopen aan katholieken. Het plan gaat van tafel.
Op doorreis hier in Brabant, neemt Mr. ter Linden kort daarna de gelegenheid te baat om het kerkje alsnog eens te bekijken en begrijpt niet waarom het onooglijke gebouwtje nou zo nodig een monument moet wezen. Zo bijzonder is het niet, “hoe aardig en eenvoudig het daar ook tusschen de bomen ligt.”
Dominee Monshouwer van de Hervormde Gemeente Hoogeloon-Eersel vat het plan op om de Hervormde Jeugdraad De Kempen erin te huisvesten. Hij is secretaris van de Jeugdraad en heeft becijferd dat met het luttele bedrag van... 2500 gulden van het kerkje een mooi hervormd jeugdhonk te maken valt. Allerwegen is er sympathie voor zijn plan maar daarbij blijft het.
Het wordt weer stil rond het kerkje.
Op 24 maart 1949 is de kerkeraad van de Hervormde Gemeente Bladel-Hapert in vergadering bijeen in de pastorie. Als het kerkje “en alle moeilijkheden daaraan verbonden” aan de orde komt, maken moedeloosheid en berusting zich meester van de broeders. Het heeft er alle schijn van, dat ze er nooit van af zullen komen.

Stoutigheid
Het verhaal gaat verder in 1951. Dominee de Tombe is opgevolgd door dominee Klamer. Net als zijn voorganger is hij vastbesloten zijn gemeente van het kerkje te verlossen. En weer zijn er gegadigden: een tandarts uit Hilvarenbeek wil er zijn praktijk in vestigen en vindt een koopsom van 2500 gulden “zeker een basis om over te onderhandelen”. Ook Louis van de Ven aan de overkant, rijwielhandelaar en garagehouder, is geinteresseerd. Klamer voorvoelt dat het moeilijk zal zijn het provinciaal kerkbestuur over te halen om in te stemmen met een verkoop aan katholieken. Hij vreest dat men er op zal aandringen om kerk en ondergrond te verkopen aan de Maatschappij van Welstand. Dus neemt hij zelf maar contact op met Welstand en laat daarbij niet na de heren daar erop te wijzen dat er een katholieke gegadigde is die bereid is om diep in de buidel te tasten.
Algemeen secretaris Scholten van Aschat van de Maatschappij van Welstand is niet onder de indruk. Welstand is alleen geinteresseerd als men het kerkje mag slopen en daarvoor moet het eerst van de monumentenlijst. Mr. ter Linden in Den Haag laat weten dat dat niet mee zal vallen: “Waar de kerkeraad van Bladel op spoed aandringt, moeten wij U echter berichten, dat de molens bij Monumentenzorg gemeenlijk langzaam malen. Het geven van een sloopvergunning wordt beslist door de Staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, op advies van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg. Er is dus alle kans, dat eerst de directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg persoonlijk wil gaan kijken en daarna misschien de hele Monumentenzorgcommissie ook nog.” Dat gaat maanden, zo niet jaren duren. Beter om het maar niet eens te proberen.
Een overname door Welstand is daarmee van de baan. Wel is men bereid Klamer met raad en daad bij te staan als hij het kerkje per se wil verkopen aan Louis van de Ven. Vastgoedtransacties met de roomsen hier in Brabant vergen de nodige tact: “Gaat de Kerkvoogdij zelf verkoopen dan krijgt U nooit den hoogsten prijs, daarvoor zijn de plaatselijke bindingen nu eenmaal, gelijk elders, te sterk.” Hij moet zich maar wenden tot de Eindhovense notaris Steensma. Die heeft ervaring met katholieken en weet hoe je zonder aanstoot te geven moet voorkomen dat op voormalige protestantse grond “een kapelletje of een kruisbeeld wordt gesticht of een andere paapsche stoutigheid wordt uitgehaald.”
Natuurlijk moet hij niet vergeten vooraf toestemming te vragen aan het eigen provinciaal kerkbestuur, dat ook nog eens gekend dient te worden in de “herbelegging van de opbrengst van de verkoop.”
Opnieuw wordt het stil rond het kerkje. Zoveel voetangels en klemmen ook; waarschijnlijk heeft dominee Klamer het maar opgegeven.

R.I.P. B44
5 februari 1954. Gemeenteraadsvergadering in het oude gemeentehuis in Hoogeloon. Burgemeester van Woensel is ter ore gekomen dat het oude protestantse kerkje te koop zou zijn en stelt voor om het aan te kopen. De gemeente zou er een geschikt bouwterrein aan over kunnen houden. Bovendien is het kerkje “een schandaal voor iedereen die er langs loopt.” De raad gaat akkoord maar het leidt allemaal opnieuw tot niets. Of het moet zijn dat Van Woensel de hand gehad heeft in wat volgt.
Tien dagen later namelijk valt in Hoogeloon een brief in de bus van de Firma L. van de Ven & Zn. Garage – Rijwielhandel en Reparatie-inrichting. Louis van de Ven en Zn. verzoeken beleefd “om vergunning tot het slopen van gebouw van Hervormde Gemeenschap te Hapert op grond van bouwverordening.” Deze keer heeft de gemeente geen bezwaar. De volgende dag al gaat het antwoord de deur uit. Slopen maar. Over de momumentenstatus van het kerkje wordt met geen woord gerept.
Een verkoopacte heb ik niet kunnen vinden. Dát het verkocht is, blijkt uit de jaarrekening van de Hervormde Gemeente Bladel-Hapert over 1954. Daar staat onder de inkomsten te lezen: “1500 gulden vanwege verkoop van het kerkje in Hapert en de grond daaronder.” Aan het provinciaal kerkbestuur meldt Kipmulder dat jaar, dat de Bladelse boeken weliswaar een batig slot vertonen van 2204 gulden en 86 cent, maar dat dit overschot slechts tot stand is kunnen komen omdat “wij de bouwvallige kerk te Hapert met grond kwijt zijn.”

Zo gaat het kerkje dan toch nog tegen de vlakte. In het archief van de gemeente Hoogeloon bevindt zich nog een slordig afgescheurd kladbokvelletje, waarop iemand in potlood de tekst heeft genoteerd die 128 jaar lang op de steen boven de deur heeft gestaan: “A. Meijer heeft den eersten steen aan dit gebouw gelegd Den 7 Junij 1826.” Daaronder het laatste huisnummer van het kerkje: B44.