Posts tonen met het label Hapertse dialogen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hapertse dialogen. Alle posts tonen

dinsdag 31 maart 2020

Vroeger was ik er best goed in

Op 14 april 1971, de dag waarop mijn jongste broer werd geboren, zette ik met een schijnbeweging drie van Haperts grootste voetballers op het verkeerde been: Jack Thijssen, Jan van Dingen en Tonnie Huijbregts. Ik herinner het me als de dag van gisteren. Het was op Dalem, je had daar toen een voetbalveld. Mijn vader had gezegd: "Ga maar ergens voetballen en kom de eerste uren niet naar huis. Kees van ome Marten gaat met je mee."
Wat me nu een beetje verdrietig maakt, is dat ik me mijn actie zo goed herinner. Juist dat. Ik had liever gehad dat het andersom was geweest. Dat de grote drie hem zich herinnerden als de dag van gisteren en ik het hele voorval glad vergeten was. Dat ik Jack Thijssen op een drukke zatermiddag in Hapert bij de Lidl tegen het lijf loop en big J. zoiets zegt als: "Eé Hugo, witte nog dieje keer op Dollem dè gé ons zô verrékkes oplôôide? Ik ben dè nooit vergeten, ik weet ut nog precies." Waarop even bigger H.: "Goh Jack, ik heb geen idee waar je het over hebt kerel. Voetbal bedoel je toch? Voetballen doe ik al dertig jaar niet meer. Maar je hebt gelijk hoor, vroeger was ik er best goed in."

zaterdag 4 maart 2017

Op eûw stem ik nie!

HL: Huub, Huub van Haopert, kende me nog? Hugo Leijten, ût de Meulenstraot.
HH: Hugo, jazeker ken ik je nog. We hebben nog samen gevoetbald als ik me goed herinner.
HL: Klopt jè, in 't derde. Dès lang geleeje.
HH: Hoe is het met je? Woon je nog in Hapert? Ik zie je nooit.
HL: Ik woon in Blaal. Sens vurrig jaor.
HH: En daarvoor in Hapert?
HL: Daor vur in Eindove mer daor geeg ut nou nie um. Ik kom eigeluk de nuwe gemintegids haole.
HH: Is die niet bij je bezorgd?
HL: Jewèl mer hij hing er half ût en toen is ie nat gerègend.
HH: Ach, excuses kerel, ik maak er een notitie van. Bij de receptie kun je...
HL: Mer nou ik hier toch ben woo ik ut eigeluk over iets anders hebbe.
HH: Vertel.
HL: Nou dè zal ik oe zegge, ik woon hier nog gin...
HH: Kan ik je overigens een kop koffie aanbieden?
HL: Koffie? Ja genog.
HH: Neem plaats.
HL: Ût d'n automaat? Hedde gullie gin koffiezetapparaat?
HH: Wordt aan gewerkt kerel. Vertel verder. Je woonde in Eindhoven.
HL: Ons vrouw was een Eindovese. Vur men hai ut nie gehoeve.
HH: Aha. Dus jullie wonen nu in Bladel.
HL: Ikken allèèn. We zèn geschaaie. 
HH: Ach. Hè. Altijd betreurenswaardig. Kinderen?
HL: Kender nie nèè.
HH: Een geluk bij een ongeluk.
HL: Nou, ik vèèn, daor hedde gullie niks mee te maoke.
HH: Is ook zo. Neem me niet kwalijk. Je was aan het vertellen.
HL: Jè. Wa woo ik nou ôk wir zegge?
HH: Je woonde net in Bladel.
HL: O jè. Ik woon dus nog gin vier mônd in Blaal of ze trekke munne rûitenwisser d'r af.
HH: Van je auto bedoel je?
HL: Van munnen auto jè. D'n èèrrem. Middendur!
HH: Hè wat vervelend! Dat is nou niet wat je noemt een fijn welkom voor je in onze gemeente.
HL: Ik vèèn 't un schandaol.
HH: Heb je aangifte gedaan?
HL: Dè heb ik gedôn jè.
HH: En?
HL: Ze duun er niks mee.
HH: Heeft de politie je uitgelegd waarom?
HL: Um dè ze te lûi zèn! Ze gôn liever erreges langs de weg stan te flitsen.
HH: Waar woon je?
HL: In de Kônninklukhûislaon.
HH: Daar is toch een WhatsApp-groep actief? In het kader van de buurtpreventie? Als ik me niet vergis staat die vermeld in de gemeentegids.
HL: Daor geeg ut nie um! Ze moeten van mennen auto afblèève. Tis toch godnondeju godsgeklaogd dè ge in dees land nie ins mir oewen auto vur de deur kunt zette zonder dè z'r mee d'r tengels aanzitte! En gullie duut er niks an, dè wul ik mer zegge. Gullie snapt nie dè gewôôn mense lek ikke daor van lèèje.
HH: Luister Hugo, als wethouder en als dorpsgenoot spijt het mij heel erg dat dit je overkomen is. Ik begrijp hoe vervelend het voor je is.
HL: Gè snapt er hullemol niks van! Dè zit ik nou net te vertelle. Mee oewe wotsep. Gullie snapt gewôôn nie dè mense... dè mense... lek ikke, hè? dè die daor van lèèje en daor kaod van worre.
HH: Hugo, nogmaals...
HL: Want ik was nog nie klaor ôk nie hè.
HH: Vertel.
HL: Want toen wier ut dus carnaval en ik denk, mèn zulle ze nie hebbe mee dè keffee hier vlakbè, ik zet um een eindje wèèr dè ze 'r nie wir an zitte mee durre zatte kop.
HH: Dat is misschien niet onverstandig geweest. Al kan ik je verzekeren dat wij en ook de organiserende verenging er alles aan doen om het carnaval...
HL: Dus ik wul sondegsmiddegs efkes nur m'n zuster in Eindove en wa denkte?
HH: Ik eh... Weer de ruitenwisser?
HL: Stat-ie godverdomme middenin d'n optocht!
HH: Oei, dat is inderdaad...
HL: Ik kon nie bè munnen auto! Ik kon er nie komme! Nog un wonder det-ie nie beschadigd is mee al die brèèj waoges.
HH: Hugo, ik beloof je dat ik er volgend jaar bij de vergunningverlening rekening mee zal houden. We zijn er kennelijk onvoldoende in geslaagd de route van de optocht kenbaar te maken.
HL: Dur geeg ut nie um! Gullie moet hul dè carnaval afschaffe! Daor hebbe mense lek ikke laast van in ons daogeluks lèève. Gullie... gullie snapt dè gewôôn nie. Gullie bent allèèn mer mee oe aaige bezig.
HH: Luister Hugo, ik zal er bij de burgemeester op aandringen dat de omgeving van je woning wordt opgenomen in de politiesurveillance én ik zal me er sterk voor maken dat er volgend jaar geen carnavalsoptocht plaatsvindt. Ik heb het zelf ook altijd...
HL: Dur geeg ut nie um! Gullie snapt nie dè gewôôn mense... gewôôn mense... Ho es, hee, nou moete me nie bûite zette, hee, wel godverdomme! Ik ben nog nie klaor mee eûw! Bleft van mèn af! Ik krèèg oe nog wel hè. Gè bent nog nie van men af! Dur komme wel verkiezingen an hè. Op eûw stem ik nie!






zaterdag 4 april 2015

Noud Kortooms

- Met de gemeente Bladel, goedemorgen.
- Goedemorgen. U spreekt met Hugo Leijten. Ik wilde vragen hoeveel inwoners Hapert heeft.
- Hapert?
- Hapert. Linksaf bij het Pius X. Hoeveel inwoners.
- Ik heb geen idee.
- Iemand anders toch wel? Iemand bij Burgerzaken?
- Waarom wilt u dat weten?
- Ik wil het weten, omdat ik Noud Kortooms ervan wil overtuigen, dat hij tien keer zoveel boeken verkoopt, als hij zijn autobiografische jeugdherinneringen op papier zet, in plaats van opnieuw aan een Grote Kempische roman te beginnen. Hij is niet meer de jongste. Het kan elk moment zijn laatste zijn.
- Wie zegt u?
- Kortooms, Noud. Woont in de garage bij Coolen, Ties.
- Ik begrijp niet goed...
- Zeg, dat het er zesduizend zijn. Gedeeld door vier, één per gezin, is vijftienhonderd, plus vijfhonderd omliggende dorpen, kom ik uit op tweeduizend. Een veelvoud van wat hij normaal afzet.
- Tweeduizend?
- U denkt, dat ik meer moet rekenen voor de omliggende dorpen?
- Meer omliggende dorpen?
- Denkt u? Misschien heeft u gelijk. Ik ben uitgegaan van de vier gemeentelijke. Misschien moet ik uitgaan van de Zaligheden. Wat heet, van de hele Kempen. Wat dunkt u? Drieduizend?
- Meneer Leijten, ik verbind u door met de heer Roijmans van Burgerzaken.
- Ik ken hem. Een groot man.
- Daar gaat u.
- De skaai is de limmet, mevrouw.

zaterdag 12 april 2014

Philobiblion

Op 20 april 1926 meldde het Rotterdamsch Nieuwsblad dat er in de gemeentebibliotheek alhier boekendieven actief waren. Voor de verslaggever aanleiding om es te sociologiseren ter zake... boeken:

Boeken-dieven.
Men schrijft ons:
Het verontrustend verschijnsel, dat er uit de zalen der Gemeente-Bibliotheek aan de Nieuwe Markt, boeken, tijdschriften en couranten verdwijnen – de ‘ordinaire’ diefstallen van lampen, koperen kranen, zeep enz. laten wij buiten beschouwing – mag merkwaardig zijn, nieuw is het niet. Boekendieven zijn er al sedert vele jaren geweest en het eigenaardigste is, dat er niet alleen in lokalen, waar men kosteloos toegang heeft, maar ook inrichtingen, van welke men tegen een dikwijls niet geringe contributie lid moet zijn, om ze te mogen bezoeken, herhaaldelijk boeken worden vermist. Daar blijkt immers uit, dat een boekendief zeker niet altijd uit armoede steelt.
Doch waarom steelt hij dan wel? Men zou met evenveel recht – of met even weinig kans op een antwoord – kunnen vragen waarom sommige menschen geregeld vergeten boeken terug te geven, die zij hebben geleend.
Het bezit van een boek schijnt zeer begeerlijk te zijn – maar toch niet zóó begeerlijk, dat men er geld voor over heeft. De boekhandel klaagt, de uitgeversbond schrijft prijsvragen uit en zint op allerlei middelen om den kooplust van het publiek aan te wakkeren, maar het resultaat schijnt vooralsnog niet schitterend. Men zou ten minste zeggen, dat het debiet nog dermate toeneemt, dat de uitgevers er reeds toe kunnen overgaan, de boeken goedkooper te maken. Met uitzondering van die in enkele serie-uitgaven en nog te schaarsche ‘bibliotheken’, blijven de boeken immers nog maar altijd duur; vijf of zes gulden is voor een boek een ‘gewone’ prijs.
En nu denken wij nog maar alleen aan ‘literaire’ werken en aan de z.g. ontspanningslectuur, tusschen welke twee soorten de roman zooveel als den overgang vormt. Wetenschappelijke werken en studieboeken zijn over het algemeen nog veel duurder.
Dat de prijzen zoo hoog zijn, heeft tot natuurlijk gevolg, dat een grote schare van menschen, die goede boeken waardeeren, er slechts bij uitzondering één kunnen koopen. Het is nu eenmaal een feit, dat de z.g. intellectueelen gewoonljk niet tot de hoogst aangeslagenen in de belastingen behooren. Buitendien komt er, juist in onzen tijd, uit de maatschappelijk lagere standen een nieuw geslacht op, die geenszins kapitaalkrachtig zijn. Het is niet onmogelijk dat sommigen van dezen, die bij brood alleen niet kunnen leven en voor wie boeken een levensbehoefte zijn, door hetgeen men dan wel geestelijken honger noemt, tot oneerlijkheid worden gedreven.
Evenwel, hierboven is reeds gezegd, dat het volstrekt niet alleen minvermogenden zijn, die boeken stelen. Ook menschen, die volstrekt niet behoeftig en over ’t algemeen niet oneerlijk zijn, verliezen ten op zichte van boeken het verschil tusschen mijn en dijn herhaaldelijk uit het oog. En niet alleen thans is dat het geval, het schijnt reeds eeuwen geleden te zijn voorgekomen. Richard de Bury*, schrijver van de ‘Philobiblion’, een bibliografisch werk, dat omstreeks 1340 zou zijn samengesteld en dus één der oudste werken van dien aard uit de middeleeuwen is, verhaalt, dat hij als kanselier en schatbewaarder van Eduard III van Engeland, ruimschoots gelegenheid had aan boeken te komen. Hij stal ze eenvoudig uit kloosters. Kardinaal Passionel** was een trouw bezoeker van de Parijsche boekenstalletjes aan de Seine en dankte aan zijn wijde soutane den groei van zijn boekenverzameling. Hij schaamde zich daar volstrekt niet voor. Daniël de Moustier***, een geleerde boekenliefhebber, die n.b. zelf sterk tegen het uitleenen was, ging al even graag op roof uit en kon als een kat op een muis zitten loeren op een boek, dat hij in een uitstalling zag liggen. En wee den koopman die niet op zijn hoede was!
De boekendieven, die in de Gemeente-bibliotheek en in andere openbare boekenverzamelingen hun handen niet thuis kunnen houden, verkeeren dus wel in geleerd gezelschap. Laat hen dit echter niet aanmoedigen. Het is weinig waarschijnlijk, dat de rechter met wien zij in aanraking konden komen, hen met groote onderscheiding zal behandelen, als behoorende tot de ‘geestelijke aristocratie’. Zielkundigen, die zich in het bijzonder met ‘geestes-afwijkingen’ bezig houden, welke onwetenschappelijke menschen misdadige neigingen noemen, kunnen intusschen op het gebied der boeken-kleptomanie nog een ruim arbeidsveld vinden.


- Toch hi dieë mens wel gelèèk. Ik was giestere bij van Pierres in Eindove mee onzen Harrie z'n boekenbon vant misdiene. Tien euro is niks daor, dè zèè-k oe.
- En bij Verdonschotte dan?
- Daor han ze 't nie.
- Ik vèèn anders wel dè boeke moeten altè mer goeiekoop zèn. Ze meuge nooit niks koste. Des dan ok wir zôiet. Ik vèèn, tis toch wel een boek. Ge zet ut toch ôk nie zomèr bij ut auw pepier.
- Ik lèès host nooit un boek. Ik kèèk wel es nôr fillems, dè wel. Op de computer. Onzen Harrie zunne computer dan hè. Die hit er nun hôôp op ston. Het viel me nog mee dè-t-ie een boek woo hebbe.
- Witte nie dè se de pestoor es gevat hebbe mee boeken onder zunne jas?
- En dieë zoon van Gon Leijten ok. Ût de Meulenstraot. Och, hoe hiet ie nou ok wir? Ik kan er nie opkomme.


* Richard de Bury (1286-1345):

Bishop and bibliophile, b. near Bury St. Edmund's, Suffolk, England, 24 Jan., 1286; d. at Auckland, Durham, England, 24 April, 1345. He was the son of Sir Richard Aungerville, but was named after his birthplace. He studied at Oxford and became a Benedictine. Having been appointed tutor to Prince Edward, son of Edward II and Isabella of France, he was exposed to some danger during the stormy scenes that led to the deposition of the king. On the accession of his pupil to the throne (1327), de Bury eventually rose to be Bishop of Durham (1333), High Chancellor (1334), and Treasurer of England (1336). He was sent on two embassies to John XXII of Avignon, and on one of his visits, probably in 1330, he made the acquaintance of the poet Petrarch. He continued to enjoy the favor of the king, and in his later years took a prominent part in the diplomatic negotiations with Scotland and France. He died at his manor of Auckland, and was buried in the cathedral of Durham. He founded Durham College at Oxford, and according to tradition bequeathed to its library most of the books which he had spent his life in collecting. There they remained until the dissolution of the College by Henry VIII. They were then scattered, some going to Balliol College, others to the university (Duke Humphrey's) library, and still others passing into the possession of Dr. George Owen, the purchaser of the site whereon the dissolved college had stood. These books were of course all in manuscript, for the art of printing had not yet been discovered.

Bale mentions three of de Bury's works, namely: "Philobiblon"; "Epistolae Familiarium"; and "Orationes ad Principes". It is by the "Philobiblon" that he is principally remembered. It was first printed at Cologne in 1473, then at Spires in 1483, in Paris in 1500, and at Oxford in 1598-99. Subsequent editions were made in Germany in 1610, 1614, 1674, and 1703, and in Paris in 1856. It was translated into English in 1832 by J. B. Inglis, and of this translation a reprint was made at Albany, New York, in 1861. The standard Latin text—the result of a collation of 28 manuscripts and of the printed editions—was established by Ernest C. Thomas and edited by him, with English translation, in 1888. A reprint of Thomas's translation appeared in the "Past and Present" Library in 1905.

Bishop Richard had a threefold object in writing the "Philobiblon": he wished to inculcate on the clergy the pursuit of learning and the cherishing of books as its receptacles; to vindicate to his contemporaries and to posterity his own action in devoting so much time, attention, and money to the acquisition of books; and to give directions for the management of the library which he proposed to establish at Durham College, Oxford. The work is important for its side-lights on the state of learning and manners and on the habits of the clergy in fourteenth-century England. He is the true type of the book-lover. He had a library in each of his residences. Conspicuous in his legacy are Greek and Hebrew grammars. He did not despise the novelties of the moderns, but he preferred the well-tested labors of the ancients, and, while he did not neglect the poets, he had but little use for law-books. He kept copyists, scribes, binders, correctors, and illuminators, and he was particularly careful to restore defaced or battered texts. His directions for the lending and care of the books intended for his college at Oxford are minute, and evince considerable practical forethought. His humility and simple faith are shown in the concluding chapter, in which he acknowledges his sins and asks the future students of his college to pray for the repose of his soul.

Boekendief de Bury erkent in dat laatste hoofdstuk dat hij heeft gezondigd, zoals iedereen while 'in the body'. Het is nou eenmaal 'the frame of our carnal nature' en we vertrouwen erop dat de 'Incarnate Deity' ons onze zonden niet ten kwade zal duiden, gegeven de voorspraak van de 'God-Man'. Heeft-ie echt boeken gestolen uit kloosters en geeft-ie dat echt toe in zijn Philobiblion? Ik ga dat nog es nalezen (link om na te lezen).
'All things are corrupted and decay in time', heb ik al wel zien staan, 'all the glory of the world would be buried in oblivion, unless God had provided mortals with the remedy of books.' Zo ist maar net, ik kom net uit Hilvarenbeek met drie onduurzame tassen vol**** en geen idee wie die andere twee zijn.

** ?
*** ??
**** gekocht, nie gejat

Zelf heb ik me overigens onlangs op straat laten overhalen tot het nemen van een abonnement op de NRC. Uit economisch tijdgebrek lees ik enkel de vrijdagse boekenbijlage en heel af en toe een stukje van de weekendkrant. De maandag-tot-en-met-donderdagkranten kan iedereen zo van me krijgen. Laat maar weten.